Opinie

De waterkwaliteit moet worden verbeterd bij de bron

Vervuiling

Commentaar

Alsof de stikstofcrisis niet al complex genoeg is, dringt een volgend omgevingsdossier zich op: de kwaliteit van het water in de Nederlandse rivieren, kanalen, meren en plassen had in de afgelopen jaren sterk moeten verbeteren, maar is in de meeste gevallen achteruitgegaan. Dat is de alarmerende conclusie van data-onderzoek dat NRC deze week publiceerde.

Zo’n 460 van de 745 wateren die onder de Kaderrichtlijn Water vallen, scoorden in 2021 op minstens één criterium slechter dan in 2015. Vaak gaat het om te hoge gehaltes aan zware metalen, brandvertragers, bestrijdingsmiddelen of nutriënten uit bemesting. Het zijn de afvalproducten van een maatschappij die heel veel maakt, maar nog altijd te weinig oog heeft voor het laatste deel van het productieproces: het opruimen van de rommel. De Nederlandse wateren gelden letterlijk als afvoerputje, maar afvoer waarheen? De concentraties aan schadelijke stoffen lopen eenvoudigweg te hoog op.

Opmerkelijk genoeg is de urgentie om te verbeteren al jaren bekend. Volgens Europese regels hadden alle Nederlandse wateren in 2015 al „van voldoende kwaliteit” moeten zijn. Omdat dit al snel onhaalbaar bleek, kreeg Nederland uitstel tot 2027, overigens net als alle andere lidstaten van de Europese Unie.

Nederland presteert ronduit slecht. In 2019 voldeed slechts 1 procent van de wateren aan de normen en de verwachting is dat dit aandeel bij de nieuwe deadline in 2027 beperkt blijft tot 5 procent. Voor een land dat zich wereldwijd beroemt op zijn waterexpertise is dat bepaald geen reclame.

Naast problemen met de chemische samenstelling kampen veel wateren met een te hoge watertemperatuur, een gevolg van klimaatverandering. Daardoor kan het water minder zuurstof vasthouden en zijn eigenlijk nóg lagere gehaltes aan stikstof en fosfor nodig, stoffen waarvan de limieten nu al vaak worden overschreden. De noodzaak tot verbetering wordt dus alleen maar groter.

Tel hierbij op de waterkwantiteitsproblemen die door klimaatverandering zijn ontstaan – droge lentes en zomers die onder andere tot verzilting leiden, piekbelastingen als vorig jaar met de watersnood in Limburg – en het is duidelijk dat waterbeheerders voor een grote opgave staan.

Maar zij niet alleen. De waterschappen kunnen uitsluitend maatregelen nemen in het water en op oevers, terwijl de oorzaak van de vervuiling grotendeels elders ligt, bij industrie, landbouw en huishoudens. In veel gevallen hebben waterschappen de makkelijk haalbare ingrepen al gedaan.

Als een klein land als Nederland alles wil hebben – een hoogproductieve landbouw, een eigen industrie, veilig drinkwater, recreatiemogelijkheden én gezonde natuur – dan moeten al die belangen zorgvuldig op elkaar worden afgestemd. Het komt nu aan op het terugbrengen van de uitstoot van vervuilende stoffen. Dat is in de eerste plaats een taak voor de uitstoters zelf, maar ook voor gemeenten, provincies en ministeries. Het gebrek aan samenwerking tussen deze partijen heeft ertoe geleid dat de moeilijkste ingrepen te lang zijn blijven liggen.

Het is zaak die samenwerking alsnog te versterken, beter laat dan nooit. Want dat waterschappen nu al nadenken over verzachtende omstandigheden die ze straks kunnen aandragen als Brussel met boetes dreigt, is een nederlaag die we niet moeten willen accepteren.

Lees ook Zit er nog leven in de sloot?