Opinie

Het vocabulaire van bedrijfsleider Rutte

Eva Meijer

De woorden zijn sterker dan wij. Ze blijven beter bewaard, zeker in geschreven vorm, en vangen onze gedachten. Veel mensen kunnen ook in beeld denken of in muziek, maar samen met anderen denken gaat vaak via woorden, en de taal stuurt ons gemeenschappelijke leven.

Dinsdag is Mark Rutte de langstzittende minister-president van Nederland. Voor deze column wilde ik een collage maken van zijn uitspraken, maar er zaten helaas te weinig mooie tussen. Toch heeft hij de politieke taal wel beïnvloed.

In de afgelopen twaalf jaar is de politieke taal in Nederland steeds instrumenteler geworden: steeds sterker een middel tot een doel, in plaats van een opening naar een gesprek. Voor een deel hangt dat samen met de dwang van de (sociale) internetmedia en de normalisering van extreem-rechts in de politiek. Politieke communicatie gaat in korte herhaalbare citaten, woorden worden als wapens ingezet. Maar het markt- en managementdenken van de VVD heeft er ook aan bijgedragen. Rutte benadert het land als bedrijf. Daar horen bepaalde termen bij, die optimistisch zijn en appelleren aan een Nederlandse volksaard. Ik denk niet dat hij een goede redenaar is, zoals eerder in deze krant geschreven werd, maar hij is wel een goede bedrijfsleider, met bijbehorend vocabulaire.

De intelligente lockdown tijdens de coronapandemie was een voorbeeld van zo’n optimistische managementterm: wie wil er nou niet intelligent zijn. In discussies over het klimaat zijn problemen kansen. We hebben het goed gedaan op de Olympische Spelen en kunnen dat ook met het klimaat doen, zei Rutte vorig jaar in augustus. Twee jaar eerder zei hij over het klimaat overigens dat we wel gewoon moeten kunnen blijven barbecueën. De woorden gewoon en normaal spelen sowieso een belangrijke rol. Misschien is dat de VVD-variant van moreel leiderschap: laten we met zijn allen weer een beetje normaal doen. ‘Normaal’ is hoe de Nederlander zichzelf graag begrijpt, maar Rutte zet er ook een kader mee neer, maakt de normen van een selecte groep algemeen.

De Amerikaanse schrijver John Patrick Leary noemt dit soort termen blokkades: een soort letterlijke stopwoorden die verbergen wat er echt aan de hand is. Woorden als ‘menselijk kapitaal’ of ‘innovatie’ beloven vooruitgang, terwijl er voor die vooruitgang allerlei mensen worden uitgebuit. ‘We doen het samen’, ook een corona-uitdrukking, verbloemde bijvoorbeeld de sociale en economische ongelijkheden die de coronapandemie juist blootlegde. Woorden geven uitdrukking aan een wereldbeeld, wat niet met de heersende ideologie spoort is er soms moeilijk in uit te drukken.

Ruttes managementtermen zijn stopwoorden: ze houden verandering tegen en de positie van degenen die macht hebben in stand. En ze zijn lelijk, dat is ook een probleem. Democratie is altijd rommelig en onaf, samenleven met anderen kost moeite. Gesprekken zijn bijvoorbeeld niet efficiënt: ze kosten tijd en misschien hebben ze geen concrete uitkomst, of leggen ze onoplosbare tegenstrijdigheden bloot. Maar om recht te doen aan verschil en betere manieren te vinden om samen te leven zijn ze noodzakelijk.

Lees ook: Mark Rutte wordt dinsdag de langstzittende premier van Nederland, maar het 'Duracell-konijntje' van vroeger, is hij niet meer

Taal kan ons ook helpen. Woorden zijn meer dan een jas om belangen in te kleden. Ze stellen ons in staat onze leefwereld aan anderen te laten zien en de gemeenschappelijke wereld anders te laten zien. Dat zit niet alleen in de verhalen die we vertellen, ook in de manier waarop we dat doen. Als politieke taal uit managementtermen of kreten bestaat, gaat dat vermogen verloren.

Voor de komende 4.310 dagen wens ik Rutte en zijn kom-panen dus meer echte politieke gesprekken toe en meer schoonheid in de taal. Want woorden kunnen de wereld beter maken.

Eva Meijer is schrijver en filosoof. Ze schrijft om de week een column.