Opinie

Meer diversiteit? Laat kinderen wetenschap doen

Wetenschap Gebrek aan diversiteit ontstaat niet pas in het hoger onderwijs, maar al op de basisschool of eerder. Dat vergeet het ministerie in zijn recente actieplan voor meer inclusie, schrijft .
Foto KOEN VAN WEEL/ANP

Kinderen zijn van nature kleine wetenschappers: ze worden geboren met intrinsieke nieuwsgierigheid, vormen hypothesen over hoe de wereld werkt, verzamelen informatie en komen zo tot nieuwe inzichten. Toch denken veel kinderen dat wetenschap niet voor hen is weggelegd. Dat geldt vooral voor meisjes, kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond en kinderen zonder hoogopgeleide ouders.

Waarom? Omdat deze kinderen zich niet herkennen in het stereotype beeld van wetenschappers. Als je kinderen vraagt een wetenschapper te tekenen, schetsen ze vaak een witte man met een bril en een laboratoriumjas, te midden van indrukwekkende apparatuur: reageerbuizen, bunsenbranders en machines met wijzerplaten. Het is hoog tijd dit stereotype beeld te bestrijden.

De wetenschap heeft namelijk een diversiteitsprobleem. Daarom lanceerde het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap in 2020 het Nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek. Minister Robbert Dijkgraaf (D66) heeft de Kamer eerder deze maand bijgepraat over dit actieplan.

Diversiteit

Wat in zijn actieplan wordt vergeten, is dat een gebrek aan diversiteit niet pas ontstaat in het hoger onderwijs en onderzoek – het ontstaat al op de basisschool of zelfs ervoor. Om diversiteit in de wetenschap te vergroten moeten we onze jongste generatie een inclusief beeld van wetenschap en wetenschappers meegeven. Een beeld waar iedereen zich in herkent, ongeacht hun sekse, migratie-achtergrond of sociaal-economische achtergrond.

Hoe kunnen we zo’n inclusief beeld creëren? Door alle kinderen een actieve rol te geven in het opzetten en uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Dat kan in de schoolbanken, waarbij kinderen samen met hun klasgenoten wetenschappelijke experimenten doen, zoals de proefjes op proefjes.nl. Of in wetenschapsmusea zoals NEMO, waar kinderen experimenten uit allerlei wetenschappelijke disciplines kunnen doen.

Lees ook: ‘Wat doe je van een fout?’ vraagt de juf op de nieuwste ‘excellente’ school. ‘Leren!’ antwoordt groep 6

Maar het kan ook in wetenschappelijk onderzoek aan kennisinstellingen, waarbij wetenschappers samen met kinderen onderzoek opzetten en uitvoeren. Daarom is binnen De Jonge Akademie Lil’Scientist gelanceerd, een citizen science-programma dat is ontstaan uit een samenwerking met de IMC Weekendschool en inmiddels wordt gefinancierd vanuit de Nationale Wetenschapsagenda. We laten kinderen – vooral kinderen die opgroeien in kansarme situaties – samenwerken met diverse wetenschappers uit het hele land om écht wetenschappelijk onderzoek te doen.

Onconventionele ideeën

Zulke activiteiten zijn niet alleen leerzaam voor de kinderen, maar óók voor de wetenschappers. Kinderen komen namelijk vaak met onverwachte, onconventionele en creatieve ideeën, die kunnen leiden tot nieuwe ontdekkingen. Wetenschappers, die soms zijn vastgeroest in traditionele manieren van denken, kunnen zo nieuwe inzichten opdoen. Zo heb er nog nooit naar gekeken, hoor ik collega’s dan zeggen.

Maar daarmee zijn we er nog niet. Simpelweg wetenschap doen met kinderen zorgt er niet automatisch voor dat kinderen zichzelf gaan zien als wetenschappers in de dop. Veel kinderen zien wetenschap namelijk als een elitaire, ingewikkelde en vooral eenzame bezigheid. Daarom is het belangrijk om wetenschap met kinderen te verankeren in drie kernboodschappen.

De eerste boodschap is dat wetenschap gaat om experimenteren: proberen, falen en opnieuw proberen. Wanneer volwassenen met kinderen praten over wetenschap vertellen ze vaak over vooraanstaande wetenschappers zoals Einstein, Darwin en Newton, die dan worden bestempeld als geniaal, alsof hun wetenschappelijke inzichten zomaar zijn komen aanwaaien. Dit is niet alleen onjuist maar ook ontmoedigend: kinderen die zichzelf geen genie vinden of wetenschap moeilijk vinden, haken af. Door wetenschap juist te beschrijven als een activiteit –niet als een identiteit – ontwikkelen kinderen meer interesse in wetenschap.

Groeimindset

Daarnaast is het essentieel dat kinderen ervaren dat ze steeds beter kunnen worden in het doen van wetenschap. Je hoeft de wetenschappelijke manier van denken niet meteen onder de knie te hebben. Als je iets niet begrijpt, betekent dit niet dat je dom bent; het betekent dat je jezelf kunt verbeteren. Zo’n groeimindset – het besef dat je vaardigheden niet vaststaan maar juist kunnen groeien – helpt kinderen doorzetten en leren.

Een laatste boodschap is dat wetenschap draait om samenwerken. Het is geen solitaire maar collectieve onderneming. Wetenschappers helpen elkaar, leren van elkaar en hebben een gemeenschappelijk doel: de wereld beter begrijpen, zodat ze maatschappelijke problemen – zoals ongelijkheid, Covid-19 en klimaatverandering – kunnen aanpakken. Kinderen die opgroeien in kansarme situaties blinken uit in samenwerken.

Mijn hoop is: Als we alle kinderen actief betrekken bij wetenschappelijk onderzoek, dan groeit hun nieuwsgierigheid, leergierigheid en zelfvertrouwen en leren ze dat iedereen een wetenschapper kan zijn. Dit is niet alleen nodig om diversiteit in hoger onderwijs en onderzoek te vergroten, maar ook essentieel voor de ontwikkeling van kinderen tot kritische wereldburgers. Immers, een wetenschappelijke manier van denken is niet voorbehouden aan wetenschappers aan een kennisinstelling; het is een vaardigheid die iedereen zich eigen kan maken. Want wetenschap is ván en vóór iedereen.