Een vette vis

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 60: Brullende zeehonden.
Dagboek van een visser

Een stralende dag, geen vuiltje aan de lucht, zacht briesje. Eindelijk! Gauw pak ik de boel in en scheur naar de kust. Van ver zie ik Rabbit Island al schitteren. We zwaaien naar elkaar. Diep in zijn hart verlangt elke visser naar een eiland. Het eiland is zijn vrouw, de vissen zijn kinderen.

Mouwen opstropen, flink pompen, alles inladen en omkleden. Mijn jacht kan te water. Tuurlijk is een motorboot ‘gemakkelijker’ en ‘veiliger’, maar wie niks riskeert is geen visser. Een kajak vergt spierkracht en moed. Een vis haken eist de dood in de ogen kijken. Alleen zó is het visoffer gerechtvaardigd.

Het gekabbel tegen het rubber klinkt als muziek. Zeewier en kelp zijn door de storm losgeraakt en drijven overal in zee. Kwallen zwemmen als roze taartjes onder mij langszij. Af en toe werp ik het drijfanker uit om op adem te komen. Alleen bekwame schippers kunnen dit eiland bereiken, zwemmers niet, ook niet Johnny Weissmuller.

Foto Getty Images

Het eiland blijkt een Elysium. Klauterend langs rotsen beland ik aan de achterkant in een lagune barstensvol zee-egels, gele en oranje slakjes. Garnaaltjes en krabbetjes schieten tussen m’n voeten weg. Ik vind een spierwit uitgebeend karkas, geklemd tussen de scherpe kaken van een ander karkas. Gestikt in eigen vraatzucht. Niets menselijks is de vis vreemd.

Op de hoogste heuveltop ga ik gestrekt in het kniehoge gras. Wachtend op de vloed, tuur ik naar tapuiten, zwaluwen, gouden plevieren die om mij heen cirkelen. Luidkeels zingen ze een welkomstserenade. Een intens geluk daalt in mij.

Ik denk aan Masafumi Nagasaki, de Japanse heremiet die naakt en in staat van volmaakt geluk leefde op een onbewoond eiland in de Pacific. Hij bewonderde babyschildpadden die uit eieren kropen en at alles wat op ’t eiland groeide – behalve vissen. Hij voelde zich zó verbonden met het eiland dat hij weigerde vissen te doden.

Ik ben geen Masafumi. Er zijn grenzen. Tijd voor een vette vis! Ik duw m’n jacht weer te water en peddel naar de diepte. Al snel volgt een beuk en met kromgetrokken hengel takel ik m’n eerste pollak omhoog. Wat een knoeperd! Wat een juweel! Kus op de bek, tik op de kop en hup in de emmer. Voor vanavond bij het turfvuur.

Maar dan… dan duikt plotseling een zeehondenkop tevoorschijn! Vlak voor m’n neus. We kijken elkaar aan. Hij zwemt rondjes om mij heen, knipoogt, en verdwijnt in de diepte. Dan verschijnt er nog een, en nóg een! Gedrieën beginnen ze loeihard te brullen terwijl ze verlekkerd naar mijn maaltje in de emmer lonken. De tanden van een hongerige zeehond in mijn rubberbootje, dat zou weleens het premature einde betekenen van deze visser en dit Dagboek.

Zelden zo hard gepeddeld. Zelden smaakte vis mij zo goed.