Thee van Nederlandse bodem – het duurt even, maar het kan wel

De voedselmakers Nederlandse thee groeit korter en langzamer. Maar het kan wel, laat Linda Cebrian-Rampen op haar Brabantse plantage zien.

Foto Merlin Daleman

Langs de weg tussen Soerendonk en Gastel, in Noord-Brabant, staat een bord: asperges en aardbeien te koop. Aan de andere kant van de oprit staat Flipje, de fruitmascotte. En een bord: Het Zuyderblad. In de schuur achter het huis, ingericht met industriële lampen, Perzische tapijten en vintage meubelen, is een groepje cursisten net klaar met een workshop. Alles over thee die je koud, op kamertemperatuur of met bubbels maakt. Het lijkt hier meer op een horecagelegenheid in een opkomende buurt van een grote stad dan op een boerenschuur.

Linda Cebrian-Rampen (38) schenkt thee in een portglas en een cognacglas, lekkerder dan in een mok. Het is een Portugese thee die zijn smaak heeft gekregen doordat-ie gedroogd is in lege portvaten. Voor haar workshops en webwinkel gebruikt ze vaak thee van andere kleinschalige producenten, haar eigen thee van vorig seizoen is helemaal uitverkocht. Buiten staan op ongeveer 1 hectare de theeplanten te wachten tot ze toe zijn aan hun eerste pluk. Een paar rijen jonge planten die net uit Italië komen, maar ook grotere, struikachtige exemplaren, waarvan de toppen nu, half mei, bijna groot genoeg zijn.

Een jaar of 25 was ze toen de boekhouder van haar ouders haar voorlegde: wat wil je? Enig kind, opgeleid als illustrator. Haar ouders vroegen niet zelf of ze het bedrijf wilde overnemen. Ze moest ook kunnen weigeren. „Maar ik wist: als ik nee zeg, gaat het weg. Dan stopt het hier.” Niet alleen het familiebedrijf, met koeien, varkens, asperges en aardbeien, maar ook iets van de cultuur van de streek. En er stoppen al zoveel boeren.

Theeboeren bezoeken

Ze wist ook dat ze het anders wilde doen. Ze had veel gereisd en in China, in een theehuis in Beijing, was ze gegrepen. Door de thee, maar ook door de geschiedenis, de verhalen, de ceremoniële betekenis, de diversiteit aan soorten en smaken. ‘Beleving’, dat is het woord dat ze vaak gebruikt als ze over thee praat.

Zo begon langzaam het denken, het lezen, nog meer leren en reizen, overal theeboeren bezoeken. Om te onderzoeken of het zou kunnen, een theeplantage in Brabant. Want als het in Duitsland al dertig jaar gedaan werd, als ze het in Engeland kunnen, zelfs in Scandinavië, waarom dan niet hier? De bodem, zo bleek na onderzoek, was er in elk geval goed genoeg voor. Van haar eerste oogst in 2018 vond ze 300 gram – voor een flinke kop gebruik je 2 gram – genoeg om door experts te laten proeven. „Dat pakte goed uit.” De kwaliteit was al meteen heel behoorlijk.

Niet dat ze meteen een bedrijfsmodel had. Van alleen thee verbouwen kun je in Nederland niet leven. Kou is het probleem niet – in China en India vriest het ook – maar verder van de evenaar groeit de theeplant langzamer en kun je niet het jaar rond plukken, alleen in de maanden juni tot september. Een keer of zes, twee ‘batches’ per pluk.

Als je met drie man een hele ochtend plukt, heb je misschien drie kilo aan blad, waarvan uiteindelijk een kwart overblijft als ‘droog product’, als thee. Vorig jaar had ze twintig kilo ‘eindproduct’. Grond en arbeid zijn duur in Nederland. Dat maakt Nederlandse thee te kostbaar voor de supermarkt. „Ik moet er iets bij doen.” Vandaar de rondleidingen, proeverijen en workshops. „Een stukje agritoerisme.”

Thee bij het eten

Linda Cebrian-Rampen verkoopt haar beste thee, pure zwarte en groene thee, allemaal van dezelfde Camellia sinensis, aan restaurants in het hogere segment, zoals vegan restaurant Bij Albrecht in Eindhoven. Of bij een culinair evenement zoals Steinbeisser, voor experimentele gastronomie. „Thee kan een gerecht net zo goed begeleiden als wijn. En dat past ook bij de trend dat mensen minder willen drinken als ze uit eten gaan. Steeds meer restaurants begrijpen dat.”

Hoewel ze zich erover kan verbazen dat ze op zoveel plekken nog 3 euro durven te vragen voor een zakje met een smaakje. En dat er op het hoogste niveau altijd een sommelier is, maar niemand met verstand van thee. Misschien is het nog te vroeg. „Koffie heeft al een paar revoluties achter de rug. Thee komt pas de laatste jaren op. Tien jaar geleden had ik hier nog niet mee kunnen beginnen.”

Zelf heeft ze haar smaak ook moeten ontwikkelen. „Ik dronk vroeger net zo goed smaakjes, zoals zoethout.” En dat is niet eens thee. Nu waardeert ze vooral échte thee.

Weliswaar maakt ze van kwalitatief minder goede thee ‘blends’, mengsels met bijvoorbeeld gedroogde aardbeien of verveine. Maar haar special teas zijn puur. De vroege oogst, met het eerste nieuwe blad na de winter, leent zich goed voor groene thee. De oogst later in de zomer, met diepere, complexere smaken, is geschikter om te laten oxideren – zoals een geschilde appel bruin wordt onder invloed van zuurstof, zo verkleuren ook theebladeren – en wordt daardoor zwarte thee.

Lees ook hoe Joël Broekaert op bezoek ging bij een theeboetiek: Dit is de cognac onder de thee.

Grote woks

Het is een wonderlijk gezicht. Op zo’n klassiek Nederlands akkerbouwbedrijf waar de oogst normaal in kratten tegelijk van het land komt, is ineens iemand aan het priegelen met heel kleine blaadjes. „Two leaves and a bud”, twee blaadjes met een knopje, dat is alles wat je plukt. „Het lijkt heel idyllisch, maar ik ben vooral bezig met onkruid wieden.”

En dan de schuur, daar staan tafels met platte rieten manden, grote woks waarin de theebladeren op hoge temperaturen gedroogd worden, apparaten waarin het blad gekneusd en gerold wordt om de aroma’s uit het blad vrij te laten komen en roostermachines zo groot als wasdrogers, met instructies in Chinese tekens. „Het proces hier lijkt nog het meest op de manier waarop veel boeren in China thee maken.” Kleinschalig, deels handmatig.

Je voelt hier aan alles: het vraagt lef om in Nederland zo’n verfijnd product te maken, dat bovendien stoelt op ambachten en tradities die duizenden jaren nodig hadden om geperfectioneerd te worden. „Hoe meer je door al die landen reist, hoe meer respect je krijgt”, zegt Linda. China, Taiwan, India, Japan, allemaal met hun eigen karakteristieken. „Japanse theeproductie is heel geavanceerd. Maar Georgische plantages uit de Sovjet-tijd, gericht op massaproductie, zijn ook heel bijzonder.”

Elke batch kan weer nét anders uitpakken onder invloed van vochtigheid, zonlicht en temperatuur. Na de pluk moet je bijna van uur tot uur ruiken om te bepalen wanneer je het oxideren wilt laten stoppen en met wokken begint. In een logboekje houdt Linda van elke batch alle details bij, zo leert ze van zichzelf. En zo leert ze van andere Europese theepioniers, die het op hun manier doen. „Vanavond spreken we ons groepje weer online. Waar liep jij tegenaan? Hoe heb je dat opgelost?” Als akkerbouwer werk je misschien samen met de buurman. Bij Linda komt zondag een theeboer uit Frankrijk helpen bij de eerste pluk.

Een Ferrari of drie vakanties per jaar zal ze als theeboer niet bij elkaar sparen. Daar doet ze het ook niet voor. „Zo’n mooi bedrijf behouden, een traditie voortzetten, op mijn eigen manier. Zingeving is een zwaar woord. Maar voldoening, dat geeft het zeker.”