Portret van René Descartes, naar een verloren gegaan werk van Frans Hals.

Foto Hollandse Hoogte

Interview

‘René Descartes nam de angst voor wetenschap weg. Kritiek op hem is onterecht’

Han van Ruler | filosoof De zeventiende-eeuwse filosoof René Descartes maakte de weg vrij voor de natuurwetenschap. De laatste decennia is zijn rationalisme ook veelvuldig bekritiseerd. „Er is iets heel geks gebeurd.”

Hij is een van de filosofen die eeuwige roem wisten te vergaren met een rake slagzin. In zijn geval: cogito, ergo sum (ik denk, dus ik ben).

René Descartes (1596-1650) wordt gewoonlijk beschouwd als „de grondlegger van de moderne filosofie”. Aldus Bertrand Russell in A History of Western Philosophy (1945). Russell noemde dat „terecht”. Met zijn systematische twijfel aan alles wat bestaat, zijn zoektocht naar „heldere en onderscheidende” inzichten en naar een „schokvrij fundament” voor kennis, had Descartes de weg vrijgemaakt voor de natuurwetenschap. Hij vond dat fundament in het cogito: aan het ervaringsfeit van het denken zelf valt niet te twijfelen.

Precies die prestatie leverde de Franse denker ook golfjes van kritiek op, die in de latere twintigste eeuw aanzwollen tot een tsunami. Zijn rationalisme zou een heilloze kloof hebben geopend tussen individu, gemeenschap en natuur, zou dierenhaat hebben gerechtvaardigd (omdat hij vermoedde dat dieren een soort machines waren) en zou het denkende subject hebben vervreemd van de wereld – ‘typisch westers’. Kortom, zonder Descartes geen vernietiging van de aarde. Heidegger, Wittgenstein, Sartre en vele andere filosofen bekritiseerden Descartes’ rationalisme en sciëntisme. Neurowetenschapper Antonio Damasio maakte de kritiek salonfähig met zijn bestseller Descartes’ Error (1994).

Allemaal volstrekt ten onrechte, zegt Descartes-kenner Han van Ruler. Hij is hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en al jaren bezig met een rehabilitatie van de gesmade Fransman. De jongste zet daarin is Van Rulers inleiding bij een gloednieuwe vertaling van Descartes’ Meditaties over de eerste filosofie, in 1641 voor het eerst verschenen in het Latijn. Bij de presentatie van het boek in Amsterdam sprak hij een „Ode aan Descartes” uit.

Waarom is een ode aan Descartes nodig?

„Omdat hij de kop van Jut geworden is in de westerse filosofie. Boeken in de filosofie van het bewustzijn of de geest – of in de neurowetenschappen – beginnen bijna altijd met distantie ten opzichte van Descartes: wat we in elk geval niet moeten hebben is zoals Descartes het deed. Zijn dualisme met name, een term die Descartes trouwens zelf nooit gebruikt.”

In de Meditaties ontwikkelt de filosoof zijn ideeën over materie en geest, het cogito (én God, want die moest wel overeind blijven in de nieuwe wetenschap).

Van Ruler onderstreept in zijn inleiding bij de vertaling nog eens het radicaal vernieuwende van de filosofie van Descartes. Hij schrijft: „Bij Descartes is de ‘ziel’ niet langer de motor van lichaamsprocessen, maar enkel een persoonlijke ‘binnenwereld’, een ruimte van mentale ervaring die van een heel andere orde is dan de wereld van het tastbare.”

Bij Descartes wordt de wereld een empirisch proces dat je wetenschappelijk kunt beschrijven

Maar daarmee opende hij toch de kloof tussen mens en wereld waar zijn critici zo’n hekel aan hebben: het ‘materialistische wereldbeeld’?

„Ik denk dat je dat anders moet zien. Descartes probeerde het bewustzijn of de menselijke ‘ziel’ juist serieus te nemen door het begrip uit de wetenschap te halen. Je kunt het niet blootleggen met het instrumentarium van de natuurwetenschap.”

De precieze vertaling van de Meditaties door C.L. Vermeulen is eigenlijk het vierde deel in een reeks uitgaven van het oeuvre van Descartes waarmee de filosofische uitgeverij Boom in 2008 begon, maar die wegens gebrek aan succes werd gestaakt. Bij de vertaling zijn voor het eerst grote delen opgenomen van de tegenwerpingen die Descartes op zijn meditaties ontving en beantwoordde.

Wat je moet begrijpen, zegt Van Ruler, is de turbulente intellectuele context van de zeventiende eeuw. „Alles was in beweging. Descartes ageerde tegen het ‘bezielde’, aristotelische wereldbeeld van de middeleeuwse scholastiek. Daar kwamen we niet verder mee. Bij Aristoteles bestaat de werkelijkheid uit individuele dingen die actief en doelgericht op elkaar inwerken. Mensen, dieren, stoelen, tafels, sterren. Bij Descartes verdwijnt dat. Bij hem wordt de wereld een empirisch proces dat je wetenschappelijk kunt beschrijven. En daarnaast heb je dan dat cogito, het ‘ik’ dat zich ergens van bewust is, en dat je op een ándere manier moet onderzoeken.”

Descartes had geen goed woord voor bewustzijn en noemt het dan maar ‘denken’

U noemt hem miskend. Maar hij heeft toch ook veel navolging gekregen? Over het ‘harde probleem’ van het bewustzijn wordt ook nu nog volop gedelibereerd in de filosofie van de geest.

„Er is iets heel geks gebeurd. Neurowetenschappers vallen Descartes aan, terwijl ze vaak eigenlijk hetzelfde beweren. Neem Damasio. Hij baseert zich op het schoolboek-idee van Descartes: keihard dualisme van lichaam en geest. En dan zegt hij: Descartes heeft het niet begrepen want gevoelens zijn verankerd in het lichaam, in ons neurologisch systeem. Klopt. Wie zei dat drie eeuwen eerder ook al? Ja, Descartes in een ander boek, Les passions de l’âme (1649). Damasio probeert Descartes te weerleggen maar hij beweert gewoon hetzelfde. En daar doet hij dan een boek lang over! Kijk, Descartes had geen goed woord voor bewustzijn en noemt het dan maar ‘denken’ – en wij associëren dat met afstandelijk nadenken, peinzen, piekeren. Maar cogito kan ook slaan op de gewaarwording van pijn, je ergens van bewust zijn, van wat dan ook.”

Damasio is een neurowetenschapper, Descartes kreeg ook serieuze kritiek van beroepsfilosofen.

„Daar geldt vaak hetzelfde voor. Gilbert Ryle, met zijn invloedrijke boek The Concept of Mind (1949), zelfde verhaal. Hij denkt dat Descartes een categoriefout maakt met het cogito, zoals iemand die denkt dat er naast alle gebouwen van de universiteit van Oxford ergens ook nog een aparte ‘universiteit van Oxford’ staat. Nee, maar dat is precies wat Descartes wilde zeggen. Ons begrip van de geest of de ziel is geen ‘ding’ naast de materiële; het speelt geen rol in de wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid, we treffen het in onszelf aan als bewustzijn.”

Wat is een ‘ik’ eigenlijk? Descartes zegt het zelf ook: het is niet goed onder woorden te brengen, maar het is er wel

Maar dan ontstaat het ‘interactie-probleem’. Hoe kan het bewustzijn invloed hebben op materiële dingen die er los van staan?

„Ja, de pijnappelklier zou dat contact volgens Descartes mogelijk moeten maken. Daar wordt dan altijd op gewezen om zijn ideeën niet serieus te hoeven nemen. Maar in feite ontkent Descartes het interactieprobleem. Het idee dat de ziel het lichaam zou moeten ‘aansturen’ of zoiets, als een motor in een auto, dát is nou een categoriefout. We hebben de wetenschap om fysieke processen te beschrijven, dat is één. We kennen onszelf van binnen, ons bewustzijn, dat is twee. En we weten dat we een lichaam hebben dat ons allerlei emoties toespeelt. Klaar.”

Hoe relateer je die twee dan wél, als de een de ander niet aanstuurt?

„Dat is een goeie vraag, maar volgens Descartes geen metafysisch probleem. Geest en lichaam relateren doen neurowetenschappers nu elke dag. Als Descartes vandaag de dag zou leven, heeft een Amerikaanse historicus van de filosofie wel eens gezegd, zou hij in een ziekenhuis aan een MRI-scan staan. Dat geloof ik ook. Descartes was de eerste neurowetenschapper.”

Descartes trekt uit de ervaring van het denken de conclusie dat er iets bestaat dat denkt, het ik. Maar hij kreeg toen al kritiek op die redenering. Er kunnen gedachten zijn zonder een ‘iets’ erachter.

„Ja, maar wat is een ‘ik’ eigenlijk? Descartes zegt het zelf ook: het is niet goed onder woorden te brengen, maar het is er wel. Het is het eerstepersoonsperspectief dat we hebben op de werkelijkheid, in tegenstelling tot de derdepersoonsbeschrijvingen die je vindt in de wetenschap. Zoals Wittgenstein zegt in zijn Tractatus logico-philosophicus: het subject behoort niet tot de wereld, maar is een grens van de wereld.”

Wetenschap hoeft verwondering niet in de weg te zitten

Descartes verdient volgens u ook op een andere manier herwaardering: als wetenschapper.

„Hij was echt een groot wetenschapper. Zijn fysica klopte niet, die is al heel snel ingehaald door Newton. Maar hij deed heel goed onderzoekswerk in de optica, in de wiskunde. Hij ontwikkelde een goed begrip wat een natuurwet eigenlijk is. Maar hij is wel zo goed als verdwenen uit het Rijksmuseum Boerhaave! Heel vreemd. Het hangt samen met het ingesleten beeld van Descartes als een metafysicus van God en de ziel. Tja, dat is de schuld van de filosofen, daar kunnen die wetenschapshistorici ook niks aan doen.”

Hij moet weer een plek krijgen in dat museum?

„Ja natuurlijk. Hij moet vooraan!”

Wat is de belangrijkste les van Descartes?

„Wetenschap hoeft verwondering niet in de weg te zitten, over de wereld of over de manier waarop wij die subjectief beleven. Neem de huidige interesse in genderidentiteit, dat zijn dingen die je wetenschappelijk kunt onderzoeken waarbij je toch iedereen in zijn waarde laat. Descartes wilde de angst voor wetenschap wegnemen. Dat is nog steeds heel relevant.”

René Descartes: Meditaties over de eerste filosofie Vertaald door C.L. Vemeulen. Ingeleid en geannoteerd door Erik-Jan Bos, Han van Ruler en C.L. Vermeulen. Boom Grote Klassieken, 335 blz. 34,90 euro