Foto Roger Cremers

Foto Roger Cremers

Interview

Zweedse thrillerauteur: ‘Het is niet uit sensatiezucht dat ik die gruwelijkheid beschrijf’

Niklas Natt och Dag Met zijn roman 1795 voltooide de Zweedse thrillerauteur onlangs zijn trilogie over drie cruciale jaren in de Zweedse geschiedenis. „Als kind verdiepte ik me in horror. Dat was mijn overleving.”

De Zweedse thrillerauteur Niklas Natt och Dag (42) wijst op zijn zegelring, waarop een wapen met een gouden veld (dag) en een azuren veld (nacht) staat afgebeeld. In de heraldische kleuren staat goud voor wijsheid, rijkdom en azuur voor wetenschap en waarheid. Een andere tak van zijn adellijke familie heeft een zon en maan als wapen. Donkerblauw en goud, duister en licht.

Als hij zijn boeken signeert, stempelt hij met die ring zijn handtekening. „Ik kom uit een adellijke familie die teruggaat tot de dertiende eeuw en zuiver van Zweedse oorsprong is, een van de laatste die dat kunnen zeggen. Mijn voorvaderen verhinderden in 1434 een aanslag op de koning van Zweden, dat weet ik sinds mijn jeugd. En ook dat mijn familie zeer vermogend was, tot een van de erfgenamen alles verkwanselde. Van het kapitaal was niets meer over, alleen mijn zegelring herinnert eraan.”

Natt och Dag benadrukt dat de herkomst van Zweedse namen vaak mistig en grillig is, evenals de vroegste geschiedenis van het land met zijn vele koningen en vazallen: „Mensen kregen namen van een meer, molen of heuvel waar ze vlak bij woonden. Dan heette je ‘die en die van de molen’. Wij werden ‘die van de nacht en van de dag’ genoemd, vandaar mijn naam Natt och Dag.”

De schrijver rondde recent zijn trilogie af met slechts jaartallen als titels: 1793, 1794 en 1795. Het zijn de cruciale, zwarte jaren in de Zweedse geschiedenis, zo kort na de Franse Revolutie met zijn democratisch idealisme. Ter gelegenheid van de vertaling van het laatste deel, 1795, bezoekt Natt och Dag Amsterdam, een stad waar hij vaker is geweest en waarvan hij zich nog steeds de wietwalmen herinnert van zijn allereerste bezoek. Bovendien, vervolgt hij „lijkt Amsterdam op Stockholm, niet alleen omdat beide havensteden zijn, maar vanwege de architectuur en het duistere, soms gewelddadige verleden.”

Het is misschien al te symbolisch gedacht, maar in uw romantrilogie draait alles om licht en duister, geweld en verlossing.

„Dat komt doordat voor mij die twee dicht bij elkaar liggen. Neem een klein voorbeeld. Zowel Stockholm als Amsterdam kennen een Spinhuis ofwel een tuchthuis voor weesmeisjes en bandeloze vrouwen die van de prostitutie leefden, die hun echtgenoot hadden vermoord of die aan straatroverij deden. Ze moesten heropgevoed worden, daartoe moesten ze onder meer garen spinnen en stoffen weven. Maar in Stockholm leidde deze maatregel, die toch ook een soort hulp was, tot verschrikkelijke situaties als verkrachting en uitbuiting. Het was feitelijk slavernij. De vrouwen en meisjes moesten ruim tweehonderd meter garen of laken spinnen per dag, dat is onmenselijk. Waarom werd er niet beter voor deze vrouwen gezorgd? Ik las hun dagboeken en ontdekte griezelverhalen, scandaleuze toestanden. Een bewaker bijvoorbeeld die zijn sadistische neigingen op de vrouwen botviert.

„In mijn eerste roman uit de reeks wordt de jonge vrouw Anna Stina ten onrechte in het spinhuis opgesloten. Ze is vals beschuldigd, mede veroorzaakt door een mannencultuur waarin vrouwen als minderwaardig worden beschouwd.”

Uw romanreeks begint met de vondst van een man wiens armen en benen afgehakt zijn, hij ligt in een poel vlak bij Stockholm. U beschrijft het toegetakelde lichaam met veel inleving.

„Ja, ik houd van graphic novels en wil graag visualiseren. Ik noem mijn boek beeldtaal in opperste vorm. Het is niet uit sensatiezucht dat ik die gruwelijkheid beschrijf. Een van mijn grote voorbeelden is de graphic novel die ik in mijn jeugd las van Jack the Ripper. Een andere inspiratiebron is De naam van de roos van Umberto Eco. Moord in een klooster, dat dat kon! De mensen in de late achttiende eeuw, waarin ik mijn boeken situeer, leven dicht bij de ruigheid en duisternis van het bestaan. Het was hun dagelijkse realiteit. Steden waren een poel des verderfs.

„Ik was een bang kind, had last van angsten waar meer kinderen aan lijden: voor spoken, heksen, geluiden in het trappenhuis. Om daaraan te ontsnappen verdiepte ik me in griezelverhalen. Hoe enger, hoe beter. Mijn romans behoren tot het Scandinavische genre van de nordic noir, verhalen die zich afspelen in sombere entourages met trage ontwikkelingen en een gewelddadig plot. Voor de beschrijvingen van het dagelijks leven putte ik uit dagboeken uit die tijd. Die geven onverhuld weer hoe het was. Mensen uit die tijd, uit alle lagen van de bevolking, hielden veel meer dan nu een dagboek bij.”

De Zweedse samenleving uit uw boeken is niet echt de modelstaat, zoals wij die menen te kennen.

„Zweden is allang niet meer de modelstaat die het wilde zijn. Die afkalving begon in de jaren zeventig. We waren er altijd trots op dat we in de Tweede Wereldoorlog onze neutraliteit behielden. Maar ondertussen trainden Duitse soldaten in ons land.

„Met de oorlog in Oekraïne voelen we opnieuw de dreiging van Rusland, die er ook was tijdens de Russisch-Zweedse Oorlog van 1788-1790. Dat is niet toevallig de tijd vlak voor de jaren waarin ik mijn boeken situeer. Dat Zweden en Finland zich nu officieel bij de NAVO willen aansluiten, is openlijk toegeven aan de angst voor Rusland.”

Welke rol speelden uw voorvaderen bij de vorming van Zweden?

„In 1500 regeerden mijn voorvaderen Zweden als regenten. Ze bezaten zelfs Stockholm, maar die stad moesten ze afstaan aan de Deense koning. In het Riddarhuset van Stockholm, het Ridderhuis, hangt nog altijd een schild met het Natt och Dag-wapen uit 1652, met okergeel en grijsblauw, met licht en donker dus.

„Een van de historische trauma’s van Zweden is de moord op koning Gustaaf III in de opera van Stockholm. Tijdens een gemaskerd bal werd hij in de rug geschoten en hij stierf twee weken later, in maart 1792. Hij was een verlicht vorst die opkwam voor godsdienstvrijheid en burgerrechten, geliefd bij het volk. Maar de adel wilde meer zeggenschap en juist minder vrijheid voor het volk. Zij gaven de opdracht tot moord. Verdi wijdde er zijn opera Un ballo in maschera aan.

„De verwevenheid van de Zweedse geschiedenis met mijn familie is groot, dat boeit me van jongs af aan. Mijn directe voorvaderen waren prominente militairen in de ‘Grootmachttijd’ van de achttiende eeuw. Na de dood van koning Gustaaf ontstond er een machtsvacuüm. Precies daarmee begint 1793. In dat vacuüm bloeiden corruptie, anarchie en misdaad. De elite greep de macht, het volk werd uitgebuit.”

De adel veroordeelt in uw boek de idealen van de Franse Revolutie als ‘een besmettelijke ziekte’.

„De adel leed aan paranoia en samenzweringen waren aan de orde van de dag. Het tweetal Cardell-Winge zou je als een historische variant kunnen zien van hedendaagse detectiveduo’s. Tuchtwacht en oorlogsveteraan Cardell bestrijdt de Verlichting en is ervan overtuigd dat straf en zelfs wraak tot orde leiden. Jurist Winge streeft juist de democratische idealen na en beschouwt moord als een misdaad tegen de beschaving. Toch vinden deze twee elkaar in hun zoektocht naar rechtschapenheid in een losgeslagen wereld.

„In Zweden rekent men mijn boeken tot thrillers of detectives, maar ik beschouw ze meer als tijdsdocumenten, als historische romans. Dat een wees als Anna Stina een speelbal is van mannelijke vunzigheid en perverse lusten berust op waarheid, en heeft weinig te maken met wat gangbaar is in een thriller. Als ik schrijf dat Stockholm een stad vol verderf is, geeft dat een tijdsbeeld weer. Daar ben ik ook naar op zoek geweest, ver voordat ik begon te schrijven. Ik kocht tweedehandsboekwinkels leeg en speurde op internet naar getuigenissen uit die tijd, bijvoorbeeld naar muziek van de populaire achttiende-eeuwse liedzanger en componist Carl Michael Bellman, die als geen ander die tijd bezong en prostituees, dronkaards en militairen als personages opvoerde. Niet voor niets schets ik ook de levens van mensen met deze beroepen.”

Licht en donker, nacht en dag, de Verlichting versus verval, bederf en ondergang: het is alsof uw naam uw thema’s dicteert.

„Iemand schreef eens dat mijn naam wel het allerslechtste pseudoniem is dat je kunt bedenken. Maar die naam is geen pseudoniem, die is geschiedenis of is althans vervlochten met historie. In geschiedenis schuilt altijd iets dubbels, zoals in de Franse Revolutie. Vrijheidsidealen gaan samen met de guillotine.

„Ik appelleer aan sterke gevoelens als overlevingsdrang enerzijds en anderzijds onze bijna vertrouwde omgang met gewelddadigheid. Mijn schoonmoeder kan gerust naar horrorfilms op televisie kijken en daarbij chips eten. Dat herken ik. Juist als je gruwelen recht in de ogen kijkt, overwin je die. Ik wilde niet bang hoeven zijn voor Jack the Ripper, om maar iets te noemen, maar hem juist leren kennen.

„Ik geloof dat je nooit een romanreeks, of het nu thrillers zijn of niet, helemaal uit hel en verschrikking kunt opbouwen. Je moet ook altijd de tegenkant laten zien, hoe het ook kan, dat er idealen in de wereld zijn. Alleen het kwaad beschrijven, werkt niet goed; je kunt het kwaad beter beschrijven als je ook het tegenbeeld, het goede, geeft.”