Tot hun middel in het water voor zes ansjovisjes – meer ís er niet

De voedselmakers Zelfs in Bergen op Zoom, de enige plek waar op ansjovis wordt gevist, wordt het aanbod steeds schaarser. Toch blijft de familie Van Dort het proberen.

Foto Merlin Daleman

In Bergen op Zoom zeggen ze ansjóvis, met de klemtoon op de o. En dan hebben ze het niet over de geïmporteerde blikvisjes in de supermarkt, maar over hun eigen trots en zeldzaamheid: Bergse ansjovis uit de Oosterschelde, van de familie Van Dort, de laatste familie die er nog op vist.

Schaars waren ze dus al. Nergens anders in Nederland wordt er op ansjovis gevist. En het lijkt erop dat ze nog zeldzamer worden. De afgelopen twee jaar liet het haringachtige trekvisje, dat in het voorjaar vanuit de Noordzee naar de ondiepe delen van de Oosterschelde komt om te paaien, het afweten. In een goed seizoen halen ze vijf-, misschien wel tienduizend kilo binnen. Als ze vorig jaar in tien weken tien kilo hebben opgehaald, is het veel. Dus prima als je mee wilt, zegt Rian van Dort aan de telefoon, maar dat er ansjovis gevangen wordt, kan ze niet garanderen.

En toch willen we het zien. Want misschien is 2022 weer een vet jaar. En hoelang zou het nog bestaan, deze eeuwenoude weervisserij, waarbij de vissers hele dagen op het water hangen om bij laag tij de ansjovis hun fuiken in te drijven? Hoelang kun je die V-vormige takkenrijen nog zien, als je over de Oesterdam tussen Tholen en Zuid-Beveland rijdt?

Het contrast: aan de ene kant een modern, luxe resort met een jachthaven vol speedboten. Aan de andere kant de ‘weren’: imposante bouwwerken waarvoor de vissers ’s winters zelf het hout kappen. Zelf de staken vervangen die zijn aangetast door wind en paalworm. Zelf eind maart de netten ervoor hangen. En waar ze zelf in het voorjaar, als de ansjovis met zijn buik vol kuit de warme zandplaten opzoekt, met de hand de fuiken uit het water trekken.

Om negen uur stappen we op een boot bij de Bergsediepsluis. Rian blijft thuis, bij de viswinkel. Henk van Schilt, de echtgenoot van Rian, dobberde al om half zes op het water om de aalscholvers op afstand te houden. Die weten ook wat er te halen valt als de zandplaten droogvallen en alle vis samenkomt in het diepste en smalste punt tussen de vleuken, de armen van de weer. Aalscholvers en zeehonden, dat zijn de natuurlijke vijanden van de weervisser.

Foto Merlin Daleman
Foto Merlin Daleman

Zitten en kijken

Als het gidsbootje van de Stichting Behoud Weervisserij aankomt bij de eerste weer, zit Henk op een tuinstoel op een stalen sloep een beetje over het water heen te kijken. Soms neemt hij wat netten mee om te repareren. Net zo goed doet hij urenlang niks, behalve zitten en kijken. „Het verveelt nooit, het is elke dag anders.” Twee keer per dag, zeven dagen per week, tien weken per jaar, in de maanden mei en juni. Alleen als het in de nacht laag tij is, hoeft er niemand ‘bij te liggen’. Pas bij het ochtendgloren, als het licht wordt, worden de aalscholvers actief.

Corné van Dort, broer van Rian, die een enkele keer nog meegaat, is intussen met een andere boot bij een van de andere twee weren. Henk verwacht er niet veel van. Er was daar vanochtend niemand om bij te liggen. Dan weet je eigenlijk wel dat de aalscholvers je voor zijn.

Eerst is het heel lang wachten: van het moment dat het licht wordt totdat het laag tij is. Elke dag bijna een uur later. Het water moet laag genoeg staan om geen water in je waadpak te krijgen, maar niet zó laag dat de boot vastloopt en de vis op het droge ligt. Twee weren per tij lukt net, als je twee boten en drie man hebt, zoals deze ochtend begin juni.

Als Corné zonder ansjovis komt aanvaren met Ko, een vrijwilliger die „toch niks beters te doen heeft”, kijken ze nog even naar de golven. Ze klotsen nog net te hoog tegen de palen. Henk is klein van stuk. Corné is minstens een kop groter. „Hij kan eerder het water in”, zegt Henk.

Er wordt nog wat gepraat. Over waarom het nu al voor het derde jaar „helemaal niks” is, met de ansjovis. Als het aflandige wind is, is het logisch dat ze deze kant niet opkomen. Maar de wind staat goed, het water is warm genoeg voor de ansjovis, dus wat is het dan? „Er is zoveel veranderd op zee”, zegt Henk. Het water is schoner, de vis beter te zien, misschien voelt de ansjovis zich daarin bedreigd door vogels. Misschien ligt het aan de uitheemse wiersoorten die zich aan de weren hechten. Maar wat ook kan, al hebben ze er geen bewijs voor, is dat de ansjovis zich laat afschrikken door de trillingen van de kabels die sinds 2019 vanaf de windmolens op de Noordzee naar Borssele lopen, precies op de route van de ansjovis. Dat ansjovis schrikachtig is, is bekend: ze zwemmen ook niet tussen de vibrerende takken door de weer uit.

En Henk wil ook wel weten: „Waar zijn ze dán?” Is er eigenlijk nog wel ansjovis in de Noordzee?

Dan gaat het ineens snel. Corné en Ko trekken hun waadpakken aan, stappen overboord, de weerkamer in. Allebei houden ze één kant van een breed net vast en waden langs de binnenkant van de V naar elkaar toe. Met het net slepen ze de vis mee naar het smalste, laagste, diepste punt, waar een lang, staartvormig net de vis opvangt. In tien minuten is het gebeurd.

Aan boord wordt de vangst gesorteerd. Krabbetjes en jonge harinkjes gaan overboord. Wat overblijft voor de viswinkel in Bergen op Zoom: ongeveer dertig kilo geep en een paar makrelen. En precies zes ansjovisjes. „Meer dan gisteren”, zegt Corné. Maar nog steeds niks.

Voer voor de aalscholvers

Hoe breng je het op, om als je tien keer niks vangt de elfde keer toch weer je bed uit te komen, met steeds minder hoop dat het nog wat wordt? Oké, ze slaan wel eens een tij over. „Maar als je thuisblijft, weet je zéker dat je niks vangt”, zegt Corné. „En de elfde keer kan het wel raak zijn.” Stel dat je dan net niet bent gegaan. Bij paling, een andere bron van inkomsten, blijft de vis onder water in de fuik. Maar als je de ansjovis in de weer laat, en het wordt laag tij, is het alleen maar voer voor de aalscholvers.

De Bergse vissers proberen opgewekt te blijven. Maar als dit het derde jaar zonder ansjovis wordt, moeten ze wel beslissen of het nog loont om door te gaan. Dan kun je sentimenteel doen over het verdwijnen van cultureel erfgoed, maar met verlies is het niet vol te houden.

Lees ook het eerste deel in de serie De voedselmakers: Eten van de zoute grond op Texel.

Als Corné en Henk de Artilleriestraat inrijden, staat Rian al klaar om de vis aan te nemen. Als er veel ansjovis is, staan er voordat de vissers thuiskomen al twintig man voor de deur te wachten. Ansjovis gebakken in boter of van de bakplaat, je hoeft er niks aan te doen, het vlees valt zo van de graat. Eerst de Bergenaren, dan de horeca en de ansjovis die overblijft, haalt Rian door het zout en gaat in potjes. Te veel ansjovis bestaat niet voor Rian. „Ik zou willen dat ze morgen met duizend kilo thuiskwamen.”

Rian zet de geep in bakken in de koelkast. Intussen gaat onophoudelijk de telefoon, of er al ansjovis is. „Wanneer? Meneer, als we dat nu eens wisten”, zegt Henk. „Natuurlijk, bel zo vaak als je wilt.” Corné gaat naar bed, zegt hij. „Vanavond weer naar de visserij.”

Zie voor meer informatie: behoudweervisserij.nl