Illustratie Jeltje de Koning

Een ander kapitalisme begint bij de overheid, zeggen jonge economen

Systeemverandering De dreigende klimaatcatastrofe roept de vraag op: wat vindt een nieuwe generatie economen?

Alles op alles zetten om de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 te bereiken? Welke groei moet de samenleving nog nastreven? Heeft de economie daarvoor een andere inrichting nodig?

Economen zouden eigenlijk niet meer om die vragen heen kunnen. Dat geldt vooral voor jonge economen. De gevolgen van de opwarming van de aarde zullen vooral in de toekomst merkbaar zijn, met hogere temperaturen, droogte en een stijgende zeespiegel. De meeste van de nu bekende, grote economen lopen dan niet meer op deze aarde rond. Daarom vroeg NRC aan vijf jonge economen in binnen- en buitenland wie het voortouw moet nemen in een ‘nieuwe economie’. En of in die nieuwe economie groei zoals we die kennen nog centraal moet staan.

Die vragen raken aan de eeuwenoude vraag uit de economie: wie is de leidende danser in de tango tussen vraag en aanbod? Drijft de consument vraag en aanbod aan, en kan die dus zelf – door minder vlees te eten, niet meer te vliegen – een duurzame samenleving tot stand brengen? Of is het aan de producent, die bijvoorbeeld moet innoveren zodat vlees eten of vliegen duurzaam wordt? Of moet het voortouw worden genomen door de partij die de regels op de dansvloer kan bepalen, de overheid?

De consument en de producent

‘We kunnen niet langer ontkennen dat er een broeikaseffect is. Daarom moeten we het kappen van regenwouden stoppen en minder gas en elektriciteit gebruiken. Want een beter milieu begint nog altijd bij jezelf.’ Klinkt herkenbaar? Dit was de reclametekst van een bekende overheidscampagne uit 1991. Inmiddels voert de overheid opnieuw een campagne voor energiebesparing, onder de naam ‘Zet ook de knop om’. Maar moet het initiatief voor verduurzaming inderdaad bij de consument liggen?

Eefje de Gelder (33), promovenda aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, gelooft zeker in een rol voor de consument. Zij doet onderzoek naar de populariteit van fairtradeproducten zoals thee, koffie en cacao die duurzaam en met ‘eerlijke’ prijzen voor boeren geproduceerd en verhandeld zijn. Ze is een optimist, blijkt onder meer uit haar mening over die bekende overheidscampagne. „Een beter milieu begint altijd bij jezelf, hoe dan ook! De problemen waar we voor staan zijn immens. Als ieder individu het eigen gedrag aanpast, bijvoorbeeld door je douchetijd te halveren, dan levert dat toch een gigantische besparing op.”

De andere vier economen kijken hier anders tegenaan. Volgens Lara Merling (30), senior beleidsadviseur bij het Boston University Global Development Policy Center (dat vanuit de VS duurzaamheid in de wereld wil bevorderen middels onderzoek), bewijst het uitblijven van verandering na de Nederlandse overheidscampagne uit de jaren negentig het tegendeel. „Dertig jaar later zien we nog maar weinig van dat betere milieu. Zelfs als zo’n campagne deels werkt, dan nog leveren die individuele acties geen structurele systeemverandering op.”

Als consument ben je juist de eindhalte, zegt ook Charan van Krevel (31), junior docent economie en onderzoeker op het gebied van duurzame ontwikkeling aan de Radboud Universiteit. „Je kunt best milieubewust proberen te leven, maar daar zijn grenzen aan. Als je een ver oord wilt bereiken, zul je toch dat vliegtuig met kerosine moeten nemen. Je ecologische voetafdruk zit dus vooral in de producten zelf. Je kunt daar alleen invloed op uitoefenen als je je levenswijze drastisch omgooit, door helemaal niet meer te vliegen.”

Enkele van de jonge economen noemen de markt van plantaardige vleesvervangers als voorbeeld van hoe de vraag naar producten wel degelijk verandering teweeg heeft gebracht. Aan de toename van vleesvervangers in de supermarktschappen is weinig overheidsbeleid te pas gekomen.

Toch is hier een grote systeemverandering ver te zoeken: de gemiddelde Nederlander eet volgens Wageningen University & Research al sinds 2010 tussen de 75 en 80 kilo vlees per jaar — alleen tijdens de coronapandemie werd iets minder vlees gegeten. Het aantal vegetariërs blijft eveneens al jaren hangen op minder dan 5 procent van de bevolking. Dat we in Nederland minder vlees zouden eten, blijkt dus niet uit de statistieken.

In andere industrieën is systeemverandering nog verder weg en heeft de consument al helemaal weinig invloed. Neem bijvoorbeeld de luchtvaart, zegt Radboud-docent Van Krevel. „Als consument heb je voor intercontinentale vluchten geen alternatief, tenzij je drie weken op een boot wilt zitten.”

Is het dan aan de producent? Moet die innoveren, ervoor zorgen dat de mensheid duurzaam kan vliegen? Dat is lastig, zegt Van Krevel. „Bedrijven kunnen [in de luchtvaart] ook niet veel, want het is een hypercompetitieve markt met kleine marges en lage winsten. Daarin heb je dus geen ruimte om veel te investeren in verduurzaming.”

In zo’n situatie moet de overheid de spelregels van de markt veranderen, bijvoorbeeld door fossiele subsidies weg te halen en een CO2-prijs in te voeren, zegt Van Krevel. „Daardoor zouden luchtvaartmaatschappijen kunnen verdwijnen, met minder en duurdere vluchten als gevolg. Dat is niet per se slecht: de bedrijven die overblijven, hebben meer bestaanszekerheid en kunnen zich daardoor ook beter richten op een duurzame toekomst.”

De overheid

En dus is het de overheid die volgens de jonge economen drastisch moet ingrijpen. Dat is een opvallend geluid, aangezien veel economen jarenlang vooral marktwerking – en het zoveel mogelijk onzichtbaar blijven van de overheid – hebben bepleit. „Een deel van de bevolking kan het juist als moraliserend ervaren om het klimaatprobleem geheel bij de individuele consument neer te leggen”, zegt Jasper van Dijk (30), onderzoeksleider bij het Nederlandse Instituut voor Publieke Economie, een relatief nieuwe denktank die zich bezighoudt met economisch overheidsbeleid. „Het idee dat het klusje zo geklaard zou zijn als iedereen zichzelf zou aanpassen, zien zij als stedelijk geneuzel. We kunnen elkaar wel de maat gaan nemen over het aantal vliegvakanties, maar het is effectiever als de overheid gewoon de vliegbelasting verhoogt.”

Die roep om ‘prijsprikkels’, die consumenten in de richting van duurzaam gebruik zouden moeten sturen, hoor je niet alleen bij deze jonge economen terug, maar ook bij bekende economen, zoals hoogleraar Bas Jacobs in het eerste deel van deze serie. Radboud-econoom De Gelder, die ook voor prijsprikkels is, onderscheidt zich op sommige vlakken toch liever van hen. „Mainstream economen zijn te veel van de theoretische modellen, waarin alleen financiële transacties meegenomen worden en niet de maatschappelijke kosten. Zij zouden zich meer bezig moeten houden met de ‘echte’ prijs van producten. Je kunt in de winkel nu een reep chocola kopen voor een euro. Mensen moeten beseffen dat achter die reep veel meer schuilgaat, zoals milieuvervuiling en erbarmelijke werkomstandigheden. Als je dat allemaal gaat beprijzen via belastingen, wordt alles duurder. En ja, dat betekent dat we allemaal minder op vakantie kunnen met het vliegtuig en niet meer een tweede auto kunnen kopen. Maar die mindset moet ook nodig veranderen.”

Economen hebben een fetisj voor bbp. Het bbp mág heus wel groeien, maar het hóéft niet. Dat getal zegt niet alles

Glen Gostlow promovendus

Glen Gostlow (28), die promoveert in milieubeleid en -ontwikkeling aan de London School of Economics, zegt dat prijsprikkels deels zouden kunnen helpen, net als labels die echt goede informatie geven of een product duurzaam of gezond is. Toch denkt hij dat het nog beter is om vooral bedrijven direct eisen op te leggen en niet de consument te veel lastig te vallen. Zo wil hij dat alle bedrijven in de EU hun uitstoot en locaties van fabrieken verplicht openbaren, zodat hun daadwerkelijke vervuiling meer wordt blootgelegd. Dat zou ze tot verandering dwingen. Daarnaast zouden landelijke overheden volgens hem minimumstandaarden voor verhuurders moeten invoeren voor isolatie. „De werking van ‘marktinstrumenten’, zoals belastingen op gas en subsidies voor isolatie, zijn voor de energietransitie voor huishoudens nog nergens bewezen. Dan moet je het gewoon keihard verplichten.”

Het opleggen van harde eisen is niet raar, volgens Gostlow. „Spelregels voor bedrijven zijn er al tijden, zoals het verbod op kinderarbeid en de invoering van de achturendag. Verder blijft de competitieve markt ook gewoon bestaan. Iedereen kan eraan deelnemen en het staat je nog altijd vrij om winst te maken, zolang je je maar aan de wet en de grenzen van de aarde houdt.”

Volgens de Amerikaanse beleidsadviseur Merling moet de overheid zich zowel op consumenten richten, als op producenten. „Individuen moeten namelijk doorkrijgen dat ze voor de duurzame transitie bepaalde dingen zullen moeten opgeven, maar dat ze er ook een gezonder en duurzamer leven voor terugkrijgen, zodat ze uiteindelijk toch beter af zijn. We moeten in de VS mensen ervan zien te overtuigen dat ze geen enorme dieseltrucks meer rijden, zonder dat ze daar boos over worden. Dat doe je door ze ook een redelijk alternatief te bieden, met betaalbare elektrische auto’s en goed openbaar vervoer. Daarin moet de overheid dus investeren.”

Welke maatstaf voor groei?

Als overheden klimaatdoelen willen nastreven, moeten zij groei van de economie dan voorop blijven stellen? Kan dat wel? Of wordt het welzijn van de samenleving belangrijker?

De jonge economen richten zich in hun antwoorden vooral op de maatstaf die nu voor economische groei wordt gebruikt, het bruto binnenlands product (bbp, de totale toegevoegde waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten). „Economen hebben een fetisj voor bbp. Het bbp mág heus wel groeien, maar het hóéft niet. Dat getal zegt namelijk niet alles”, zegt de Britse promovendus Gostlow. Hij bepleit een ‘agnostische’ benadering, waarin bbp-groei één van de maatstaven is.

Ook Van Krevel van de Radboud Universiteit ziet dat zo. „Bbp is niets anders dan de bonnetjes die we printen, het zegt niet waar producten vandaan komen en wat de impact daarvan is.” Zijn collega De Gelder vult aan: „Het streven naar ‘meer’ wordt nog altijd als een heilige worst voorgehouden. Maar waar bestaat die groei uit? Het bbp zegt niks over de verdeling van het geld, of over het aantal daklozen.”

Om verandering te bewerkstelligen, en de economie meer in lijn te brengen met wat de aarde aankan, pleiten vier van de vijf jonge economen voor een kleinere focus van de samenleving op dat bruto binnenlands product (bbp).

Er zijn andere indicatoren nodig, die veel meer zeggen over ons menselijk welzijn, zeggen ze. In Nederland ontwikkelden de Universiteit Utrecht en de Rabobank de Brede Welvaartsindicator (BWI), die gebaseerd is op enquêtes aan mensen over bijvoorbeeld hun woonsituatie, gezondheid en werk. Hier komt ieder jaar ‘de BWI’ uit: net als het bbp één cijfer, waarin meerdere indicatoren verwerkt zijn. Zo blijkt dat het bbp in de periode 2013-2019 flink steeg, maar de BWI slechts mondjesmaat meebewoog — al is de correlatie wel degelijk zichtbaar.

Volgens De Gelder is de BWI „een prima voorzet” voor het meten van menselijk welzijn. „Ik zou ook graag een indicator hebben die aangeeft hoe belastend de consumptie is geweest voor de hele aarde, in plaats van alleen in Nederland, en hoe de welvaart verdeeld is. Op alle meetinstrumenten is natuurlijk weer wat af te dingen, maar er is op zijn minst een prominenter alternatief nodig dan bbp dat meer op menselijk welzijn gericht is.”

Onderzoeksleider Van Dijk is van het vijftal jonge economen de grootste fan van het bbp. Volgens hem is het bijvoorbeeld wel degelijk mogelijk om het bbp te laten groeien én klimaatproblemen aan te pakken. „Dat is geen trade-off. Onderzoek van het CBS wijst zelfs uit dat het bbp en de uitstoot van broeikasgassen niet meer in dezelfde mate groeien en dus ontkoppeld beginnen te raken. Het is bovendien niet vreemd dat we vooral naar het bbp kijken, want het is goed meetbaar en correleert over het algemeen sterk met ons welzijn.” Van Dijk waarschuwt voor het idee van ‘ontgroeien’ of ‘consuminderen’, omdat het overgrote deel van de wereldbevolking er dan in inkomen op achteruit zou gaan. „Ik denk niet dat mensen dat idee accepteren. Zo verliezen groene politici alleen maar stemmen en zijn we nog verder van huis.”

Beleidsadviseur Lara Merling is daarentegen juist van mening dat economen groei van het bbp helemaal moeten loslaten als belangrijkste indicator: „Het mainstream idee dat groei van het bbp meer welzijn oplevert voor iedereen in de samenleving, is achterhaald. De trend die we de laatste decennia namelijk zien, ook in landen met groei van het bbp, is een grote toename van de ongelijkheid. Dat laat zien dat vooral de rijken nog rijker worden van groei van het bbp.”

Economen denken volgens Merling te weinig na over wat mensen echt gelukkiger, gezonder en welvarender maakt. „Volgens de traditionele maatstaf van bbp zouden de bankiers van Goldman Sachs het meest waardevol voor de VS zijn. Dat slaat nergens op, want zij voegen helemaal niet zo veel waarde toe aan de economie. Als we economische groei opnieuw definiëren, kan het zeker samengaan met het halen van de klimaatdoelen.”