Zomeravond Hans Jaap Melissen & Andrea Walraven gefotografeerd op de Duitse Oorlogsbegraafplaats Ysselsteyn in Limburg. Foto Daniel Niessen

DANIEL_NIESSEN

Interview

Andrea Walraven-Thissen: ‘Met wie praat je als je terugkomt uit de oorlog? Alleen met je vrouw?’ Hans Jaap Melissen: ‘Ja’

Zomeravondgesprek Crisishulpverlener Andrea Walraven-Thissen leert journalisten hoe ze in oorlogen trauma’s kunnen omzeilen. Oorlogsverslaggever Hans Jaap Melissen víndt zichzelf al extreem voorzichtig. „En ik zou gek worden als ik níet naar de oorlog zou kunnen.”

De resten van tienduizenden gesneuvelde militairen, te midden van megastallen met miljoenen varkens. We zijn op de Duitse Oorlogsbegraafplaats in Ysselsteyn, de Peel. Om ons heen dood en verderf, maar de merel zingt en de Japanse notenboom bloeit. Elk halfuur klinken de vijfentwintig klokjes van het carillon. Er is een brasserie met een terras in de zon, en daar zitten we, met Andrea Walraven-Thissen (46), gespecialiseerd in het voorkomen van trauma na rampen en aanslagen, en met Hans Jaap Melissen (54), oorlogsverslaggever. Hij werkt onder andere voor EenVandaag, Trouw, VPRO-radio en WNL, en hij was de afgelopen 25 jaar onder andere in Afghanistan en Irak, in Israël en Palestina, in Syrië en Libië. Nu is hij net terug uit Oekraïne, vandaar dit gesprek, maar we informeren eerst naar zijn vrouw, want we weten dat ze borstkanker heeft, met uitzaaiingen in de botten. Hij heeft er een podcast over gemaakt, Oorlog in je lichaam.

Hoe is het met haar?

„Ze is dood”, zegt hij.

„Oh!”, zegt de serveerster die net komt vragen wat we willen drinken.

„Oh!”, zeggen wij.

Hij geniet zichtbaar van onze schrik en zegt dan: „Nee hoor.”

Andrea is de eerste die begint te lachen. Zo gaat deze man dus met zijn verdriet om.

Maar hoe gaat het met zijn vrouw?

„Goed. De afgelopen keer in het ziekenhuis – ik kon niet mee, want ik was in Oekraïne – zeiden ze dat een kleine groep vrouwen lang meegaat met de medicijnen die ze krijgen en het lijkt erop dat mijn vrouw in die kleine groep zit. Geen garanties, maar we hebben het over jaren, misschien wel tien.”

Andrea: „Tien?”

Hans Jaap: „Nou ja, niet wat we in gedachten hadden toen we verkering kregen. En onze zoon is over tien jaar pas 21. Maar het is meer dan een paar maanden, wat ook had gekund. Ze werkt fulltime” – ze is campagneleider bij Greenpeace – „en ze sport, en op dit moment zit ze in de trein naar Kopenhagen. Vanaf het begin heb ik in de optimistische stand gestaan.”

Andrea knikt en vertelt dat ze op haar 29ste – ze had drie jonge kinderen – een herseninfarct heeft gehad, uitzonderlijk op die leeftijd. In de ambulance naar het ziekenhuis onderhandelde ze met God en zei tegen Hem dat ze er nog niet aan toe was om te sterven. Tegen de arts die zei dat ze 90 procent kans had om er binnen drie maanden niet meer te zijn zei ze: dan meld ik me bij die andere 10 procent. „En kijk.”

Ziet ze dat als haar eigen verdienste?

„O, nee, nee. Ik heb geluk gehad.”

Foto Daniel Niessen

Ze komt uit de buurt van Venlo, een katholiek gezin. Haar vader was bij de politie en zat in het onderwijs, haar moeder was huisvrouw. Ze had voor ze Andrea kreeg een kind verloren, een jongetje, bij de geboorte. Ze mocht hem niet meer zien of afscheid van hem nemen. In haar boek Responding after suicide, a practical guide to immediate postvention uit 2019 schrijft Andrea dat het altijd beter is als nabestaanden wel afscheid kunnen nemen, ook in geval van zelfmoord, zelfs de gruwelijkste. Fantasieën over een dode zijn moeilijker te verdragen dan de werkelijkheid. Dat broertje, zegt ze, is ook voor haar leven bepalend geweest. Ze was haar moeders troost.

Als kind wilde ze non worden, later dacht ze aan dirigent. Ze ging naar het conservatorium in Maastricht, ze zat in het Nationaal Jeugd Harmonie Orkest, en daarnaast werkte ze als slaapwacht op de gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Wat ze daar zag vond ze zo interessant dat ze besloot de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige te gaan doen. Toen stortte de Hercules neer, in juli 1996, in Eindhoven. Een Belgisch transportvliegtuig met 41 mensen aan boord, 34 van hen gingen dood, bijna allemaal leden van het Fanfarekorps van de Nederlandse Koninklijke Landmacht. Andrea kende hen, het waren haar muziekvrienden. „Er was geen slachtofferhulp”, zegt ze. „Er werd niets georganiseerd. In die tijd werd PTSS” – posttraumatische stressstoornis – „net als ziektebeeld erkend en daar ben ik me toen in gaan verdiepen.”

Tramincident

Haar eerste opleiding in crisisinterventie deed ze in de VS en in 2004 – ze was met haar gezin naar de Eifel verhuisd – hielp ze met de opvang van Duitsers die de tsunami in Japan hadden overleefd. In Duitsland werd de Psychosoziale Notfallversorgung opgericht: hulpverleners die bij grote of gruwelijke incidenten meegaan met de politie, ambulance en brandweer om bijstand te verlenen aan wie dat nodig heeft. Andrea ging ervoor werken en nu leert ze andere hulpverleners hoe ze zichzelf in een crisissituatie staande kunnen houden. Waar ze bedenkingen bij heeft: journalisten die op eigen initiatief naar gewonden en andere gedupeerden gaan om ze te filmen en te interviewen. Journalisten moeten verslag kunnen doen, zegt ze. Maar wel gereguleerd. Ze heeft het over „incidentmanagement”, over „structureren” en „compartimenteren”, waardoor journalisten met de hulpdiensten meewerken, in plaats van hen tegenwerken.

Wat vindt Hans Jaap daarvan?

Hij zegt niets.

„Weet je nog dat tramincident in Utrecht?”, vraagt Andrea.

Ja, dat weet hij nog. Maart 2019, de Turkse Nederlander Gökmen T. stapte om kwart voor elf ’s ochtends op het 24 Oktoberplein in de sneltram en begon te schieten. Drie doden, zeven gewonden, van wie één tien dagen later overleed. Tijdens de klopjacht op de dader werden in de wijde omgeving alle kinderen op school gehouden, een van hen was Hans Jaaps zoon. Hans Jaap woont in Utrecht.

Andrea: „Ik zat met collega’s naar de NOS te kijken en de DSI” – Dienst Speciale Interventies – „hield een gebouw onder schot.”

Hans Jaap: „Het was het verkeerde gebouw.”

Andrea: „Een verslaggever van de NOS stond ervoor en een van de DSI-jongens zei tegen hem: meneer, kunt u hier weggaan, u staat in de vuurlinie. En toen zei die verslaggever: dat kan niet, want ik ben live op zender.”

Hans Jaap: „Haha, goed antwoord.”

Andrea: „In Duitsland zou hij daar dus nooit gestaan hebben. Hij zou het gebied nooit in gekomen zijn.”

„Aha. En dat vind jij beter?” Hij buigt naar haar toe. „Journalisten moeten niet met de politie meewerken, of met militairen. Ze moeten onafhankelijk blijven, hebben andere belangen. Daarom ben ik er geen voorstander van als journalisten embedded met het leger mee op missie gaan.”

„Dat snap ik”, zegt Andrea. „Wij willen jullie helemaal niet vertellen wat jullie wel of niet mogen doen. Wij willen alleen de kaders scheppen…”

Hans Jaap: „Kaders?”

„…en wat ik mensen aanleer in cursussen, ook journalisten, is hoe ze hun stress kunnen beheersen. Journalisten moeten weten hoe ze veilig kunnen werken om zelf geen trauma te krijgen. En ook hoe je mensen moet interviewen zonder hun trauma erger te maken.”

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen
Foto’s Daniel Niessen

Wat vindt Hans Jaap daarvan?

Weer geen antwoord.

Heeft hij weleens een cursus gevolgd om zijn stress te leren beheersen?

„Nee.”

Toch wel een keer in Engeland? (Hij vertelde daarover in een interview met Het Parool.)

„O, ja, in de aanloop naar de Irakoorlog van 2003. Maar dat ging niet over trauma’s of hoe je veilig interviewt. Mijn eindredacteur” – bij de Wereldomroep toen nog – „dacht dat er in Irak chemische wapens zouden worden ingezet en stuurde me naar Engeland om me daarop voor te bereiden. Ik heb daar zes dagen een militaire training gehad, inclusief militaire EHBO, voor als je hele arm eraf ligt of zo. Dat neemt niet weg” – hij kijkt naar Andrea – „dat ik wel nadenk over hoe ik met mensen omga. Ken je het boek Anyone here been raped & speaks English?”

Andrea schudt nee.

„Uit 1985, van de Frans-Engelse journalist Edward Behr. Er wordt nog vaak naar verwezen. Je loopt een Afrikaans dorp binnen waar de vijand net heeft huisgehouden en je vraagt of er een verkrachtingsslachtoffer beschikbaar is die Engels spreekt. Dat is vies, hè. Elke verslaggever kent dat gevoel.”

Had hij het in Boetsja toen de Russen net weg waren?

„Je moet laten zien wat er gebeurd is, dat is onze taak. Blootleggen. Maar als het is blootgelegd vind ik het ingewikkeld om op zoek te gaan naar nog meer gruwelijke verhalen.”

„En als je dan terug bent in Nederland,” vraagt Andrea, „heb je dan behoefte aan collegiale ondersteuning?”

Hans Jaap: „Eh, nee.”

„Met wie praat je dan?”

„Met mijn vrouw.”

„Verder niemand?”

Hans Jaap: „Nee. Toen ik nog in dienst was bij de Wereldomroep was er een systeem dat je je na terugkomst binnen 48 uur moest melden bij iemand die met je ging praten. Daar heb ik snel een einde aan gemaakt. Ik noemde dat het carwashsysteem. Je komt vies terug uit de oorlog, besmet met ellende, dat is het idee, en dan word je huppekee schoongespoten. Ik denk niet dat het zo werkt. Als er al iets gebeurd is dat je niet kunt verwerken, dan blijkt dat niet de eerste of tweede dag.”

Postzegels

Hij is geboren in Hoogezand-Sappemeer en groeide op in Leusden. Zijn vader was directeur van een school, zijn moeder – ze leeft niet meer – werkte op de recovery-afdeling van een ziekenhuis. „Ik lijk op haar”, zegt hij. „Ze was praktisch, snel. Vroeger vertelde ik weleens over haar dat ze het gas gewoon even lager zou zetten als ze aan het koken was en mijn vader zou spontaan overlijden. Als hij toch niet meer te redden viel, zou ze eerst het eten afmaken. En de andere helft voor morgen bewaren. Zij had het werk dat ik doe ook kunnen doen: worden er raketten afgeschoten? Het zou wel heel toevallig zijn als er net een terechtkomt op de plek waar ik nu sta.”

Toevallig, zegt hij, was de dood bij hem in de buurt vroeger een „veel voorkomend verschijnsel”. Ongelukken, ziekte, het hield niet op, en toen hij 21 was pleegde een vriendin van hem zelfmoord, een paar uur nadat hij met haar was wezen fietsen. Zij was negentien. „Ik woonde al in Utrecht” – daar studeerde hij Amerikanistiek – „en de week ervoor had ik op het huis van mijn ouders gepast. Toen had ik haar veel gezien en gesproken. Er was altijd wat met haar, depressies en therapie en zo, maar ze was ook leuk en ze kon heel vrolijk zijn. Op de dag na haar negende verjaardag was haar moeder overleden aan een hersentumor. Een paar uur voordat ze voor de trein sprong…”

„Oh!”, zegt de serveerster, die net het eten op tafel zet.

Meestal ga ik helemaal niet zo omzichtig om met mensen. Je voelt vanzelf wel wat je ze wel en niet kan vragen

Hans Jaap Melissen

„Sorry, mevrouw.” Hij lacht. „Een paar uur daarvoor dus hebben we samen naar postzegels gezocht, achteraf bleken die voor haar afscheidsbrieven te zijn. Daar heb ik nog vaak over gedroomd. Waarom vroeg ik niet waar ze die postzegels voor nodig had? Waarom had ik haar niet tegengehouden?”

Andrea knikt. Zo gaat dat, ja.

Hans Jaap: „De eerste dagen ben ik met een paar anderen naar iedereen toegegaan om te vertellen wat er gebeurd was, misschien niet heel verstandig. We waren de boodschappers. We kwamen hun middag kapotmaken. Ik ben diep weggegleden, tot ik dacht: ik laat mijn leven niet verpesten door schuldgevoel.”

Heeft het zijn leven bepaald?

„Ach, dat weet je nooit. Ik weet wel hoe mijn eigen verdriet voelt en dat het dan echt van mij is. Ik waak ervoor om me het verdriet van mensen in een oorlog toe te eigenen. Wat ik moet doen is erover vertellen. En meestal” – hij kijkt naar Andrea – „ga ik helemaal niet zo omzichtig om met mensen. Je voelt vanzelf wel wat je ze wel en niet kan vragen. De meeste mensen kun je alles vragen.”

En de mensen voor wie hij zijn reportages maakt? Moeten die nog kunnen slapen?

„Haha, heel goed als ze er niet van kunnen slapen. Graag zelfs. Laat ze maar wakker liggen. De mensen slapen al genoeg hier.”

Chaos op Schiphol

Tomatensoep, Limburgs zuurvlees, warme groenten, friet. Andrea haalt een rapport uit haar tas en bladert tot ze vindt wat ze zoekt: een staafdiagram dat de aantallen mensen met PTSS in verschillende landen weergeeft. Onderzoek van het Nivel, het kennisinstituut voor de gezondheidszorg. „Hier zie je dus”, zegt ze, „dat 7,4 procent van de mensen in Nederland op enig moment in zijn of haar leven PTSS heeft.”

Hans Jaap legt zijn mes en vork neer en zegt: „Eén op de 14? Daar geloof ik dus helemaal niets van.”

Andrea: „Het is niet mijn onderzoek, hè.”

Hans Jaap: „Wie zijn die mensen? Wat is PTSS? Valt het wel te meten? En dat daar” – hij wijst naar het kleinste staafje – „dat zijn zeker de cijfers voor eh, ja, dat dacht ik al, Nigeria.” Hij lacht. „In Nigeria hebben ze die luxe niet.”

Andrea: „Daar gaat het onderzoek over. De paradox dat er meer PTSS is in de landen die het welvarendst zijn.”

Hans Jaap: „En waar mensen al zeggen dat ze een trauma hebben als eh…” Hij kan even geen goed voorbeeld bedenken. „Ik heb het een en ander gezien in de 25 jaar dat ik dit werk doe en als mensen hier zeggen dat ze ergens door getraumatiseerd zijn, denk ik vaak: volgens mij is er wat anders met je, relatieproblemen of zo. Of je hebt gewoon iets heel vervelends meegemaakt.”

Zegt hij dat ook tegen ze?

„Heb ik afgeleerd. Ik weet me soms wel te gedragen, hoor.”

Dus als hij net terug is uit Boetsja en hij hoort dat mensen hier al ongeveer een trauma hebben door de chaos op Schiphol, dan houdt hij zijn mond?

Hij lacht en zegt: „De overgang van de oorlog naar Nederland is voor mij groter dan van Nederland naar de oorlog. Je zou misschien denken dat ik in mijn werk veel mensen tegenkom die echt getraumatiseerd zijn. Het tegendeel is waar. Ik zie mensen met een hoop verdriet en ellende, ze voelen zich rot, of hoe je het ook wilt noemen, maar trauma, nee. Wat ik denk” – hij kijkt weer naar Andrea – „is dat we in welvarende landen al gauw met de DSM komen aanzetten” – het handboek met psychiatrische diagnoses – „omdat er een vergoeding tegenover staat. En erkenning. Trauma is de enige ziekte die mensen graag willen hebben. In een maatschappij die in zoveel opzichten af is gaan mensen kennelijk naar hun navel zitten staren.”

Foto Daniel Niessen

Wat zegt Andrea daarvan?

Ze is het met hem eens. Ze noemt het de slachtofferziekte. „Een groot deel van ons werk,” zegt ze, „is voorkomen dat het woord ‘trauma’ valt. Na een ramp of een familiedrama helpen wij burgemeesters of politici bij de voorbereiding van de persconferentie en dan hoor je ze al zeggen: ‘O, die kinderen, wat zullen ze getraumatiseerd zijn.’ Néé.” Ze kijkt om zich heen en zegt: „Stel dat hier een moeder met haar kind loopt en er ontploft een oud stuk munitie. Er vallen doden en dat kind kan er ’s nachts niet van slapen. Heeft het dan een trauma? Natuurlijk niet. Hartstikke logisch dat het niet slaapt.”

We vragen aan Hans Jaap hoe het komt dat hij als enige in Nederland zijn werk al 25 jaar volhoudt zonder gek te worden.

„Gek worden? Waarom zou ik er gek van worden? Dat is dus trauma-denken. Ik zou gek worden als ik níet naar de oorlog kon.”

Waarom zijn er dan zo weinig verslaggevers die het doen? Hij was in februari de eerste en lang de enige Nederlandse verslaggever in Kiev.

„Omdat hoofdredacties steeds terughoudender worden in het sturen van mensen. Die trend is er al heel lang in Nederland. Ik ben freelancer, ik ga gewoon.”

Ze zijn bang dat een verslaggever iets overkomt en zij het aan de nabestaanden moeten uitleggen?

„Ja. En hoe minder ervaring er is met oorlog, hoe minder je ervan begrijpt. Ze hebben de expertise niet meer om te zeggen: oké, dit risico kunnen we nemen. Als je alleen maar gevaren ziet, kun je sowieso nergens meer heen. Ik moet wel zeggen dat de meeste hoofdredacties een draai hebben gemaakt. De kranten zijn nu dichter bij het front, de NOS en Nieuwsuur zijn er ook. Ik hoop bijna dat Oekraïne een keerpunt wordt in de oorlogsverslaggeving, dat we er eindelijk weer eens normaal over zouden gaan doen. Daar lijkt het nu wel op.”

We zeggen dat hij de naam heeft grote risico’s te nemen.

Een groot deel van ons werk is voorkomen dat het woord ‘trauma’ valt

Andrea Walraven-Thissen

Het irriteert hem zichtbaar. „Hoe kun je dat vanuit Nederland beoordelen? Ik ben extreem voorzichtig. Ter plekke is een oorlog heel anders dan op televisie. Dat is ook wel mijn frustratie, dat ik zo weinig kan laten zien van de banaliteit van het dagelijkse leven, dat gewoon doorgaat. Oorlog is er niet continu, qua militair geweld, en gebieden zijn veel groter dan je denkt. Hier slaan de raketten in, verderop is er niets aan de hand. In Boetsja staan de meeste gebouwen nog overeind, al ligt het er een beetje aan vanaf welke kant je binnenkomt. Voor Marioepol durf ik mijn hand niet in het vuur te steken, maar op dronevideo’s zie ik dat zelfs daar nog gebouwen overeind staan.”

Daar kijkt hij naar? Naar wat nog overeind staat? Niet naar wat er kapot is?

„Altijd.”

Andrea, die aandachtig heeft zitten luisteren, vraagt of hij in scenario’s denkt. Dat is wat zij doet in een crisissituatie. Als dit, dan dat. „Het is mijn manier om met gevaar om te gaan.”

„Eh, nee”, zegt hij. „Bij gevaar denk ik in seconden. Geen plan, het gebeurt gewoon. In maart liep ik wel te bedenken of ik in Kiev zou blijven als de Russen de stad zouden veroveren. Het plan was dat ik zou blijven. Er waren genoeg internationale journalisten die ook zouden blijven en we hadden bedacht hoe we eventueel toch weg zouden kunnen komen.”

En toen verplaatste het front zich.

„Wat is het front? De Oekraïense soldaten graven overal linies, door het hele land, ook op plekken waar de strijd nog lang niet is en misschien nooit komt. Mijn tolk en ik noemen het weleens bezigheidstherapie. Als de strijd geweest is, blijven de soldaten vaak nog lang rondhangen. Dat je denkt: sta je hier nou nog?”

Andrea: „Ik begrijp het wel. Mensen hebben een handelingsperspectief nodig, na wat ze hebben meegemaakt. Blijven hangen en linies graven is beter dan niets doen. Waarschijnlijk is het beleid van de legerleiding.”

„Nou, dat weet ik niet, hoor. Ik denk dat heel veel mensen, of mannen, het zijn altijd mannen, ook betekenis vinden in de oorlog. Het geeft status, hè. In het gewone leven ben je een nobody en opeens sta je daar met je geweer.”

Andrea: „Het geeft je…

„…een sense of purpose.”

Andrea: „Dat bedoel ik. En dat helpt.”

Hans Jaap: „De eerste weken in Kiev verbleef ik in een hotel bij een van de mooiste roadblocks van de stad, met allemaal oude Lada’s en zo, een prachtig plaatje, soms sneeuwde het ook nog. De mannen daar beleefden hun moment of glory en toen de Russen wegtrokken werd hun echt iets afgepakt. Ze zijn nog lang blijven staan, tot de politie langskwam. Jongens, nou is het afgelopen. Die auto’s zijn heel hinderlijk en jullie kunnen ze zo nodig altijd weer terugzetten.”

Foto’s Daniel Niessen.