Opinie

Alles moet veranderen om hetzelfde te blijven

Michel Krielaars

Ook in Zeeuws-Vlaanderen sluimert de revolutie als tractoren van boze boeren in optocht langs het dijkhuisje in Scherpbier rijden, waar ik logeer. In de weelderige bloementuin lees ik over een andere revolutie, die op Sicilië in de tweede helft van de negentiende eeuw. Niet in een geschiedenisboek, maar in de roman De tijgerkat (1958) van Giuseppe Tomasi di Lampedusa. Voor de zoveelste keer raakt me die ene zin van Tancredi, de ambitieuze neef en oogappel van de prins van Salina, wanneer hij op het punt staat aan de zijde van Garibaldi te gaan vechten: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Het zijn woorden van een rasopportunist, die ervoor wil zorgen dat de oude elite ook in de nieuwe tijd, waarin de burgerij het voor het zeggen krijgt, aan de touwtjes kan blijven trekken. En zo is het in sommige landen nog altijd. Zie het Rusland van Vladimir Poetin, waar de KGB, zeg maar de oude elite van de Sovjet-Unie, het weer voor het zeggen heeft na jarenlang het spel van de democratie te hebben meegespeeld.

Prins Fabrizio de Salina, de hoofdpersoon in deze nog altijd fascinerende roman over macht, vergankelijkheid en dood, is een toeschouwer in een wereld vol verandering. In zijn eigen omgeving voelt hij zich eenzaam en niet op zijn gemak. Hij minacht zelfs zijn oudste zoon, die hij een slap en gedegenereerd wezen vindt.

Onvergetelijk is de sterfscène van de prins. In zijn laatste ademtocht vraagt hij zich af hoe lang hij nu echt heeft geleefd. En dan komt hij uit op zo’n twee à drie jaar. ‘En het verdriet, de verveling, hoeveel jaren hadden die in beslag genomen? [...] De hele rest: zeventig jaar.’ De sensatie van De tijgerkat beleef ik ook in De albatros, de onlangs vertaalde roman van de Italiaanse schrijfster Simona Lo Iacono (1970) over het leven van Giuseppe Tomasi di Lampedusa. In het boek ligt de 60-jarige schrijver op sterven in een ziekenhuis in Rome. Terugblikkend op zijn leven herinnert hij zich zijn kindertijd, waarin Antonno, een jongen van eenvoudige komaf, zijn beste vriendje en alter ego was. Van hem leerde hij wat het ware leven behelst en hoe je kan vergeten dat een mens geboren wordt om te sterven.

Lo Iacono voert je heen en weer van Giuseppe’s jeugd naar zijn sterfbed. Geleidelijk aan besef je dat zijn eenzame romanpersonage Don Fabrizio niet alleen op zijn overgrootvader is gebaseerd, maar ook op hemzelf.

Door hem neer te zetten als een toeschouwer in weelderige paleizen, op uitgestrekte landgoederen en omgeven door nederige bedienden, laat Lo Iacono zien dat ieders lot al in zijn kinderdromen wordt bepaald.

De stervende Giuseppe maakt zich vooral zorgen over het lot van zijn eerste en enige roman, die hij op de valreep heeft voltooid. Het manuscript is door een vriend naar een van de grote Italiaanse uitgeverijen gestuurd, die het niet wil publiceren. Troost vindt hij nu in de herinnering aan Antonno, die hem ooit heeft gezegd: ‘Men schrijft niet om te leven, maar om te leren sterven’.

Drie maanden na Giuseppe’s dood ziet een andere uitgever de grootsheid van het boek wel in, vooral na het lezen van die ene zin van Tancredi. Giuseppe sterft op 23 juli 1957, op dezelfde dag als Don Fabrizio in 1885 in de roman. De tijgerkat verschijnt een jaar later en wordt een wereldwijde bestseller.