Opinie

Nederlanders zijn de ultieme successupporters

Marcel van Roosmalen

De Red Bull Ring, een racecircuit in Oostenrijk, oefent al jaren een magnetische werking uit op Formule 1-supporters uit Nederland. Afgelopen weekeinde zaten er weer meer dan vijftigduizend Nederlanders heel erg Nederlander te zijn. Het zal ermee te maken hebben dat Red Bull het raceteam is waarvoor wereldkampioen Max Verstappen uitkomt.

Vroeger toen voetbalsupporters nog vrij mochten reizen had je ook stadions waarvan je van tevoren wist dat je er veel medesupporters zou treffen. Voor Vitesse-supporters waren dat Sparta-uit en FC Volendam-uit. En NEC-uit in de oude Goffert. Dat is lang geleden, het voetbal is allang aan banden gelegd. Je kunt in ons land – en in veel andere landen – niet meer op de bonnefooi naar een voetbalstadion. Alleen al het juichen voor een andere club dan de thuisclub kan worden opgevat als een enorme provocatie.

Ik had deze zijsprong ook niet hoeven maken, want mijn punt gaat over iets totaal anders: over de meldingen van misdragingen van Nederlandse Formule 1-fans rondom de Grand Prix van Oostenrijk. De Nederlandse fans zouden zich vrouwonvriendelijk, homofoob, racistisch en onsportief hebben gedragen.

We exporteren niet de fine fleur, de hele samenleving trekt eropuit als er ergens een Nederlander of een Nederlands team bovengemiddeld presteert. Het heeft geresulteerd in Oranjemarsen door steden waar het Nederlands Elftal voetbalde, in ‘een Nederlandse berg’ (Alpe d’Huez) tijdens de Tour de France en nu dus in Oranjetribunes bij de grand prix van Oostenrijk vol bezopen Nederlanders.

Nederlanders zijn de ultieme successupporters. Het gaat ze niet om de sport, maar om het feestje, om het superioriteitsgevoel, het lallen, om het vieren van het Nederlander zijn. Na het schaatsen, het wielrennen en het darten is nu de Formule 1 aan de beurt. „Ja, we zijn een sportgek land”, wordt er dan gezegd.

Laat dat „sport” maar weg.

We zijn een gek land, waarvan een deel van de inwoners ernaar snakt om gezien te worden door de rest van de wereld.

„Mooi hè, helemaal oranje!”

„Zijn wij dat?”

„Ja, dat zijn wij!”

Het eigen minderwaardigheidscomplex wordt even vergeten, zelfs de Nederlandse vlag wordt weer even met de rode baan bovenaan opgehangen. Zo vol walging als ze thuis over de toestand in het eigen land praten, zo trots zijn ze zodra een Nederlander of Nederlands team uitblinkt. Het is een zwerm oranje kevers, die als ze zichzelf hebben volgevreten weer verder trekt naar een ander (inter)nationaal succes. Het is typisch Nederlands om daar trots op te zijn.

Het doet er niet toe hoe anderen onze aanwezigheid ervaren, als wij het maar leuk hebben met elkaar. Precies het gevoel dat ze zo missen in Nederland.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.