Annemieke van Drenth voor het Nutshuis in Den Haag, waar vroeger de eerste speciale school stond. „Goede leerkrachten lagen ook toen niet voor het oprapen.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Op de Haagse Idiotenschool was 150 jaar geleden ook al een lerarentekort

Annemieke van Drenth | historisch pedagoog Met liefde en aandacht werden kinderen geholpen op de ‘Haagse Idiotenschool’ van de 19de-eeuwse dominee Van Koetsveld.

Dominee Cornelis van Koetsveld, oprichter van de eerste school voor speciaal onderwijs in Nederland, liet een goudmijn na. Nadat zijn ‘Haagse Idiotenschool’, opgericht in 1855, in 1920 werd opgeheven, ging het complete archief naar de gemeente Den Haag, waar historisch pedagoog Annemieke van Drenth „méters bruikbaar archief” aantrof. „Heel bijzonder”, zegt Van Drenth. „Meestal belandden schoolarchieven in kelders of werden ze gewoon weggegooid.”

Van Drenth stuitte onder meer op 356 dossiers van kinderen die in de tweede helft van de negentiende eeuw als internen op de Idiotenschool zaten. Daarin wordt beschreven wat er met hen aan de hand was. „Een eyeopener. Je kunt het lezen als de vroegste vorm van diagnostiek van speciale kinderen in Nederland.”

In haar boek De ontdekking van het speciale kind, dat vorige maand verscheen, vervlecht Van Drenth de geschiedenis van de eerste school voor speciaal onderwijs met de aandacht die er rond diezelfde tijd ontstaat voor kinderen die ‘anders’ waren, die in het lager onderwijs niet konden meekomen met andere kinderen en ‘idioot’ werden genoemd.

Dominee en schrijver Van Koetsveld ging actief op zoek naar deze kinderen voor zijn school. Het is een behoorlijk gevarieerde groep die hij om zich heen verzamelde: van kinderen met ernstige en zichtbare afwijkingen tot kinderen die ‘slechts’ zwaar verwaarloosd waren en met een beetje liefdevolle hulp en aandacht van de medewerkers in het schooltje leerden praten, lezen en schrijven.

Hij geloofde dat ‘idiote kinderen’ door ‘het stimuleren van de zintuigen’ echt iets konden leren

De kinderen uit de dossiers vielen onder de Krankzinnigenwet, schrijft u.

Van Drenth: „Ja, zij konden alleen worden opgenomen met toestemming van de rechter, die zich daarbij liet adviseren door artsen. De kinderen aten en sliepen op de school. Daarnaast zaten er kinderen die alleen overdag naar school gingen, de vorm die je nu nog steeds het meest ziet in het speciaal onderwijs. Ouders willen dat over het algemeen ook graag – toen en nu.

„De beter gesitueerde ouders hadden personeel in huis om met deze kinderen om te gaan, maar zij boekten meestal onvoldoende progressie, vooral bij echt moeilijke kinderen. Pas midden negentiende eeuw ontstaat er meer kennis over de ontwikkeling van speciale kinderen. In die voedingsbodem kan Van Koetsveld zijn school starten. Overigens had ook hij toen al problemen om de juiste leerkrachten te vinden.”

Toen was er al een lerarentekort?

„Absoluut. Het selectiecriterium van de Idiotenschool was van pedagogisch-didactische aard. De medewerkers mochten de kinderen niet slaan of verwaarlozen. Van Koetsveld wilde vooral op zoek naar wat een kind kon, hoe het zich verder kon ontwikkelen. Hij geloofde, en dat was heel modern voor die tijd, dat ‘idiote kinderen’ door ‘het stimuleren van de zintuigen’ echt iets konden leren. Daar had hij goede leerkrachten voor nodig, die ook toen niet voor het oprapen lagen.”

Van Drenth nam vorige maand afscheid van de Leidse universiteit waar ze op het Instituut Pedagogische Wetenschappen werkte. Ze publiceerde over de geschiedenis van kinderen met lichamelijke en geestelijke handicaps. Zoals over Siem, ‘het eerste jongetje met autisme’ dat in de jaren dertig van de vorige eeuw werd ‘ontdekt’ door de non Ida Frye op het Pedologisch Instituut in Nijmegen. Het is de eerste beschreven wetenschappelijke diagnose van autisme. „Speciale kinderen waren er natuurlijk altijd al”, zegt Van Drenth. „Maar ze worden pas zichtbaar als er vanaf het midden van de negentiende eeuw serieus wetenschappelijk gedaan wordt.”

Van Koetsveld is zijn tijd vooruit en ziet al eerder wat anderen niet zien: deze kinderen hebben ook recht op een plaats

Waar waren deze kinderen daarvoor?

„Thuis of in gestichten. Soms gewoon geaccepteerd, maar soms weggestopt, verwaarloosd. Er was weinig kennis over kinderen die zich niet op een normale manier ontwikkelden. Kinderen met zichtbare afwijkingen werden al vanaf het midden van de negentiende eeuw steeds meer gezien als aparte categorie. Maar kinderen met minder in het oog springende problemen in de ontwikkeling, daar was nog weinig zicht op.

„Pas na de invoering van de leerplicht in 1901 valt het steeds meer op dat er een groep kinderen is die buiten de boot valt. Het speciaal onderwijs ontwikkelt zich daarna razendsnel. Tussen 1901 en 1930 komen er veel van dit soort scholen bij.”

U koppelt de ‘ontdekking’ van het speciale kind aan de opkomst van het reguliere onderwijs?

„Speciale kinderen kunnen niet mee in het gewone onderwijs, blijkt dan. Van Koetsveld is zijn tijd vooruit en ziet al eerder wat anderen niet zien: deze kinderen hebben ook recht op een plaats, recht op ontwikkeling. Ze moeten ‘ontwaken uit de kinderlijke onnozelheid’ en daarbij hebben ze hulp nodig. Dat idee kwam sterk op in het midden van de negentiende eeuw: kinderen worden dan steeds meer gezien als individuen in ontwikkeling gestimuleerd door prikkels van buitenaf.”

Er werd met afschuw gekeken naar kinderen die afweken van de norm, blijkt uit uw boek.

„Ja, en dat is voorstelbaar. Niemand wil een kind dat niet gezond is, dat niet kansrijk is. Iedereen wil een ‘normaal’ kind. Kinderen die daar niet aan voldoen, zijn confronterend. In mijn boek staat een tekening die de anatoom Frederik Ruysch in de zeventiende eeuw liet maken van een foetus met een waterhoofd. Ruysch zette kindjes zoals dit jongetje op sterk water, maar in zijn tentoonstelling wilde hij dit soort preparaten niet op de voorste rij hebben. Dat was te shockerend voor het grote publiek, vond hij.”

Van Koetsveld wilde de ‘idiote kinderen’ een stem geven, schrijft u. Onder het motto ‘We plead for those who cannot plead for themselves’. Dat klinkt behoorlijk progressief voor die tijd.

„Hij vond: alle kinderen zijn van God gegeven. Hij maakte zich oprecht zorgen over de kinderen met beperkingen. Hij nam ze op in zijn school en probeerde ze echt te zien in hun individualiteit en het beste uit hen te halen.”

We investeren vooral in alles wat glimt en glanst en veel minder in dingen en mensen in de schaduw

Zijn ‘eersteling’, een meisje met de naam Alida, is de grote trots van Van Koetsveld, schrijft Van Drenth. Alida is dertien als Van Koetsveld haar aantreft „in eene ellendige hut op den grond, de ongekamde haren hangende op het vuurpotje”. Alida kan nauwelijks praten, maar eenmaal op de idiotenschool ontwikkelt ze zich razendsnel. Van Drenth: „Met de kennis van nu zie je een zwaar verwaarloosd kind dat was overgeleverd aan zichzelf. Pas toen zij opgenomen werd, aandacht en pedagogische zorg kreeg, heeft ze zich echt kunnen ontwikkelen.

„In zijn jaarverslagen pronkte Van Koetsveld met haar. Er kwamen wetenschappers en notabelen langs om haar en andere kinderen te bekijken. Het succes leverde geld op voor zijn school. Geld was ook toen al constant een probleem voor het speciaal onderwijs.”

Omdat het niet onmiddellijk iets oplevert?

„Precies. Die reflex zie je nu nog steeds. Er moeten heldere en zichtbare resultaten zijn. De gedachte daarachter is dat je pas echt iets waard bent als je een bepaald soort maatschappelijk succes kunt behalen. We investeren vooral in alles wat glimt en glanst en veel minder in dingen en mensen in de schaduw, ook al horen die gewoon bij het leven.”