Opinie

Tom-Jan Meeus stopt met zijn politieke columns. Want steeds vaker dacht hij: let maar even wat minder op Den Haag

Deze week: de laatste Haagse Invloeden. Ofwel: afscheid van de politiek – omdat er te veel politiek is.

Een paar weken terug zat ik in een panel van het Reuring!Café. In een zaal aan de Haagse Prinsessegracht bespreken hoge ambtenaren daar elke maand hoe het toegaat in hun vak.

Het zijn bijeenkomsten met een clubgevoel, ze zijn openbaar, ik ging er de laatste tien jaar geregeld luisteren. Huisband The Wizards of AZ speelt covers en de gastheer, Mark Frequin, werkte als topambtenaar op een reeks ministeries. Een ware insider.

Ik was door tijdgebrek slecht voorbereid, maar het panel bleek te gaan over een zin op pagina één van het coalitieakkoord, waarin stond dat Rutte IV een „rechtvaardige overheid” nastreeft.

Een treffende invalshoek om te illustreren hoe gemakkelijk er ongelukken tussen politici en ambtenaren ontstaan.

Want inderdaad: hoe kan een ambtenaar ooit vaststellen wat de coalitie – of de hele politiek – onder rechtvaardigheid verstaat? Dat is van oudsher hét strijdpunt in vrijwel elke democratie.

Zelfs als je het alleen coalitiefracties had gevraagd, zou je al snel de weg zijn kwijtgeraakt. De één zou beginnen over terugdringing van abortus, de ander over minder belasting, de derde over meer windmolens.

Dus na anderhalf uur debat, waarbij ik vooral genoot van mede-panellid en hoogleraar wijsbegeerte Gabriël van den Brink, realiseerde ik me nog beter hoever politiek en ambtenarij, twee pijlers onder het landsbestuur, van elkaar verwijderd zijn geraakt.

Want de lichtzinnigheid waarmee de invloedrijkste politici in een dragend document een doel formuleerden dat geen ambtenaar bevredigend kan uitvoeren, laat natuurlijk iets pijnlijks zien: dat het geen toeval is dat de machinekamer van de macht zo vaak hapert.

Toen ik tien jaar geleden deze rubriek begon, had ik net een boek over mijn jaren als correspondent in de VS afgerond. Hoofdstuk één schetste het gemak waarmee een man die toen bekendstond als vastgoedbaas, Donald Trump, de ene halve waarheid na de andere op de nieuwsagenda kreeg. Zijn meningen waren feiten.

Het boek was zó somber over de polarisatie in de VS dat geen hond het kocht. Het aanzien van politici was er in verval, en ze probeerden van betekenis te blijven door privékeuzes van mensen te politiseren. Je had progressief en conservatief bier, Democratische en Republikeinse kerstbomen.

Het resultaat: nodeloos veel politiek en te veel zwak bestuur.

Lees ook de allereerste aflevering van Haagse Zaken, van 4 februari 2012: Frits Wester heeft meer volgers dan Trouw abonnees heeft

Dit zat in mijn hoofd toen ik januari 2012 het Binnenhof opliep, en de gelijkenissen met de VS waren niet te missen. De val van Rutte I, voorjaar 2012, illustreerde dat ook hier het bestuur verzwakte: Den Haag had vijf kabinetten in tien jaar versleten. En ook hier werden privékeuzes gepolitiseerd – van paaseitjes tot en met hoofddoekjes.

Op advies van electoraal onderzoeker Josse de Voogd selecteerde ik een electoraal representatieve wijk in Woerden. Bij het rondwandelen kwam ik ook daar ergernis over het teveel aan politiek tegen: mensen wilden niet wéér verkiezingen. Ze wilden een regering die regeerde.

Zo besloot ik mijn aandacht vooral te richten op de kunst van het besturen. Minder op boze Kamerleden die spraken van onderste stenen die boven moesten. Ik wilde weten hoe de eisen die de Kamer stelde in de Haagse binnenkamer tot besluiten leidden, en welke ambtenaren, lobbyisten, adviseurs en maatschappelijk betrokkenen dan doorslaggevend waren.

Dat werd deze rubriek: breng de personen en mechanismen in beeld die Haagse besluiten beïnvloeden. Zoals Machiavelli (De heerser, 1513) schreef: „Om de intelligentie van een leider in te schatten, kijk je om te beginnen naar de mensen die hem omringen.”

Dus liep ik zo veel mogelijk van dit soort mensen af, en na een tijdje had ik wel een idee: Den Haag is een wereld die niet bestuurt maar wordt gestuurd, vooral door maatschappelijke en commerciële belanghebbenden. Je kon erop neerkijken, je kon ook zeggen: dit is dus polderen.

Maar er was iets bijgekomen. Een monster, iedereen had er vrees voor. Het kon je aanvallen zonder dat je het zag aankomen. Het kon je breken. Het was: de mediawerkelijkheid.

De mediawerkelijkheid zou uiteindelijk ook de reputatie van het bestuur aantasten – en de verhouding tussen politici en ambtenaren.

Politiek als reclame

Het begon in de politiek: de doorbraak van Pim Fortuyn was door middenpartijen geïnterpreteerd als een lesje in marketing. De geheimtaal verdween uit Den Haag. Politici moesten praten in korte zinnen en woorden met weinig lettergrepen. Ze kozen één of twee thema’s en herhaalden hun uitspraken (de ‘kernboodschap’) eindeloos. Politiek als reclame.

Ik merkte het toen het niet lukte in gesprek te komen met een bekend D66-Kamerlid. Na talrijke pogingen stuurde hij een sms: een „quootje” dat ik mocht gebruiken. Hoe inzichtelijk: de rol van de dagbladjournalist teruggebracht tot postbus.

Bij ministeries ging het verder. Op sociale media waren zij ‘omgevingskennis’ gaan verzamelen, zoals een geoefende social media watcher me ooit uitlegde. In Den Haag had je er gespecialiseerde bureaus voor. Ze traceerden beginnend protest tegen maatregelen, en als het verzet groeide, informeerden ze de departementsleiding: elke nieuwe mediawerkelijkheid moest meteen gesignaleerd worden.

De angst om de regie te verliezen was enorm. Aan een bewindspersoon die nieuw beleid presenteerde, stuurden ambtenaren en woordvoerders ‘Q&A’s’: voor elke mogelijke mediavraag een aanbevolen antwoord. Het verklaarde de opkomst van het prefab-vraaggesprek, foutloos maar zielloos.

Al die controledrift deed ook iets anders: het stimuleerde argwaan bij reporters, ik had dat zelf ook.

Helemaal toen je in affaires zag, ik merkte dit voor het eerst rond de Teevendeal vanaf 2014, dat ook ambtenaren zich hieraan stoorden: als een minister in de problemen zat werd de mediawerkelijkheid met steun van woordvoerders en bevriende Kamerleden opgepoetst. Feiten verfraaien, feiten vergeten: zelfcensuur uit zelfbescherming.

Het Toeslagenschandaal liet niet alleen zien dat ook ministeries te veel politiek waren gaan produceren. Het veroorzaakte na de val van Rutte III ook dat het landsbestuur aanzien bij de eigen burgers verloor.

Zo ging het de laatste jaren vaker mis. Over de mondkapjesdeal met Sywert van Lienden hoorde je op ambtelijk VWS vergelijkbare klachten. Het Toeslagenschandaal escaleerde óók omdat de hoogste ambtenaren van het moederdepartement van Financiën bewindslieden beschermden, terwijl uitvoerende ambtenaren zagen dat gepresenteerde feiten incompleet waren om de mediawerkelijkheid goed te houden.

Het liet niet alleen zien dat ook ministeries te veel politiek waren gaan produceren. Het veroorzaakte na de val van Rutte III over het Toeslagenschandaal ook dat het landsbestuur aanzien bij de eigen burgers verloor.

Verhoudingen veranderden. Zelfs ambtenaren markeerden – een zeldzaamheid – bij de start van Rutte IV openlijk hun rol in de machinekamer van de macht: Mark Frequin vertelde me dat nieuwe bewindslieden „meer tegendruk” konden verwachten. Niet „vanzelf meebuigen”. Vaker nee zeggen. „Geen ‘ja, mits’ meer; dan onthoudt de minister alleen het ja”, zei Frequin. „Daar zijn we vaak genoeg nat op gegaan.”

Het politieke bestuur had zichzelf verzwakt – en werd onvoorspelbaar. In korte tijd deden zich enorme beleidsveranderingen voor. Decennia álles doen om de hoofdvestiging van Shell en Unilever in Nederland te houden. Dan in één jaar beide bedrijven verspelen. Decennia álles doen voor de groei van Schiphol. Ineens kiezen voor mingroei. Decennia álles doen voor een hogere productie van de intensieve veehouderij. In enkele jaren overgaan tot krimp.

Een instabieler bestuur – een instabieler land.

Geven en nemen

Ook de pikorde onder Haagse beïnvloeders veranderde. Toen ik na 2012 mijn eerste rondgang langs invloedrijk Den Haag afrondde, was me wel duidelijk op wie je moest letten. Niemand had meer beleidsinvloed dan Niek Jan van Kesteren, destijds een jaar of dertig de toplobbyist van VNO-NCW. Een aimabele man die elke nis in Den Haag kende en wist dat je moet geven om te kunnen nemen.

Niemand kon de machtigste politici verfijnder een kabinet inpraten dan Herman Tjeenk Willink, in bijna elke formatie onmisbaar.

En zelden doorzagen mensen hoe Haagse relaties in elkaar zaten: in de ministerraaddebatten van Rutte III over corona stonden de bewindslieden Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66), Eric Wiebes (Economische Zaken, VVD) en Hans Vijlbrief (Belastingen, D66) geregeld tegenover ‘de witte jassen’. In 2004-2007 werkten zij hecht samen als ambtenaren op Economische Zaken.

Zo had je meer namen en netwerken, maar het waren allemaal mensen uit de binnenwereld. En ineens zette de buitenwereld een voet tussen de deur.

Marjan Minnesma van Urgenda forceerde naleving van de klimaatafspraken uit het Parijsakkoord via de rechter. Valentijn Wösten, eigenaar van de eenmanszaak Wösten juridisch advies, was het juridische brein van de natuurbeschermers die de stikstofuitspraak van de Raad van State in 2019 afdwongen.

Invloed was niet alleen meer een zaak van informele contacten – ook van openbare confrontatie. Buitenstaanders waren de nieuwe insiders, de publieke opinie was de nieuwe elite. Als je nadien lobbyisten sprak over hun Haagse werk hoorde je vaker: we zetten eerst druk via de media.

Sommige politicologen zagen de versplintering als blijk van democratische vooruitgang, maar de praktijk duidde er niet op.

Luidruchtigheid werd zo een entreebewijs in Den Haag. Tijdens corona drukten antivaxxers, 10 procent van de bevolking, met hun agressieve protesten een zwaar stempel op de debatten. De laatste weken zag je hetzelfde met de boeren.

Het verzwakte bestuur kon alleen toekijken.

Ook in de Kamer klonk vaker de taal van het straatprotest: verruwing, wilde beschuldigingen, ruzies op de vloer van de nationale vergaderzaal.

Sommige politicologen zagen de versplintering als blijk van democratische vooruitgang, maar de praktijk duidde er niet op. Twintig fracties met profileringsdrang produceren voortdurend te veel politiek: Kamerleden die met de vreemdste fratsen de aandacht op zichzelf vestigen.

De energie zat rechts van de VVD, bij partijen die compromisloosheid vaak als uitgangspunt namen. Ze waren vooral destructief. Ze dwongen gematigd-rechtse partijen indirect tot samenwerking met progressievere partijen, waarna ze die samenwerking eindeloos attaqueerden.

Politieke vervorming

Toch wenkte er een enorme kans voor deze stroming. Voor het eerst in zijn premierschap worstelde Mark Rutte met zijn populariteit, het maakte de VVD kwetsbaar, en partijen als CDA en D66 maar ook PVV en FVD leken voor VVD-kiezers amper een alternatief.

Dus vooral Joost Eerdmans (JA21), Caroline van der Plas (BBB) en een eventuele partij van Pieter Omtzigt hadden hier mogelijkheden. Interessant genoeg alle drie voormalige CDA’ers (het zei misschien ook iets over die partij).

En met de oorlog in Oekraïne, recessievrees en een energiecrisis met zeer negatieve koopkrachteffecten op komst, was een electorale ineenstorting van de dragers van het bestel allang niet ondenkbaar meer.

Dan kon nieuw rechts zomaar de grootste stroming worden. De stroming die als geen ander in staat was politiek te vervormen tot enorme bedreigingen die nooit uitkomen (De EU! Soros! Het WEF!) maar daarom ook nooit verdwijnen. Eindeloze spektakelleegte.

Nodeloos veel politiek en veel zwak bestuur: Nederland is geen Amerika, verre van, maar de trend is hetzelfde.

En na tien jaar merkte ik dat ik er vaker bij stilviel. Ik miste matigheid in Den Haag. Het besef dat het compromis de hoogste vorm van beschaving is.

Ik begon dingen te denken die een politiek journalist niet hoort te denken: dat politiek, ook omdat het vaak een mengvorm van informatie en amusement is geworden (‘en dan nu een filmpje’), misschien te veel aandacht krijgt.

Onzinnige ideeën in het huidige medialandschap.

Jaren stond boven deze rubriek: ‘Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?’ Dus toen ik mezelf laatst voor de zoveelste keer vertelde dat het beste voor Den Haag zou zijn als mensen minder op Den Haag letten, nam ik in mijn hoofd het besluit waarvan dit stuk het eindresultaat is.