Jonathan Fournel

Serge Leblon

Interview

‘Een instrument waarin zich een heel orkest herbergt’

Jonathan Fournel Met Brahms win je doorgaans geen groot pianoconcours. Jonathan Fournel brak die regel en won vorig jaar de Koningin Elisabeth Wedstrijd in Brussel.

Vorig jaar schreef de jonge Franse pianist Jonathan Fournel (28) muziekgeschiedenis: hij won het beroemde Reine Elisabeth-concours in Brussel met het Tweede pianoconcert van Johannes Brahms. Normaal is dat geen stuk voor echte pianoleeuwen; eerder een symfonie waarin de vleugel beurtelings met het orkest versmelt en het ontstijgt. Nog nooit had een pianist met dit stuk het concours gewonnen, maar Fournel torende met zijn ontroerende vertolking boven alle andere finalisten uit.

„Mijn leraar had me vooraf verzekerd dat ik geen schijn van kans maakte met dit Brahms-concert”, vertelt Fournel met een lach. „Maar ik voel me niet op mijn gemak op zo’n vurig strijdros van Rachmaninov of Prokofjev. Veel anderen spelen dat soort virtuoze werken beter dan ik. Daarom koos ik voor het concert dat ik het beste kende en waarvoor ik een grote hartstocht voel.”

Jonathan Fournel heeft dit seizoen een drukke agenda. Op dit moment reist hij door Europa met werken van een jonge Brahms en een oude Chopin; donderdag te beluisteren in het Amsterdamse Concertgebouw. Eerder dit jaar was hij – eveneens met Chopins Derde Pianosonate – te gast op het Jong Talent Festival op Schiermonnikoog. „Ik stelde me Chopin bij het spelen voor op de plek waar hij de muziek schreef: in het landhuis van zijn geliefde George Sand in Nohant”, vertelt hij. „De ziekelijke Chopin was een paar maanden het drukke Parijs ontvlucht en voelde in de natuur zijn krachten weer toenemen. ‘Ik heb al zoveel mensen overleefd die jonger en sterker waren, dat ik me haast onsterfelijk waan’, schreef hij die zomer. Die hernieuwde energie, die teruggevonden jeugd, die voel ik in dit stuk.”

In de Derde Pianosonate van Brahms gebeurt volgens Fournel het omgekeerde. „Brahms schreef dit werk op zijn twintigste, maar de noten ademen soms een ‘in memoriam’-achtige sfeer, als een soort ‘Deutsches Requiem’ voor de vleugel. Chopin omhelst de eenvoud, maar Brahms benadert de piano als een orkest: met één instrument weet hij de grote wereld van de symfonie op te roepen.”

Orgels in de Elzas

Dat laatste fascineert Fournel in Brahms. „Als kind luisterde ik altijd al meer naar symfonieën dan naar pianomuziek.” Zijn vader doceerde orgel – „een instrument waarin zich meer nog dan in een vleugel een heel orkest verbergt” – in de Elzas, het vloeibare grensgebied tussen Frankrijk en Duitsland. „In veel steden en dorpen in de Elzas, soms zelfs in gehuchten, staan kerken met verbijsterend mooie orgels. Mijn vader bouwde zijn eigen instrument en speelde in de kerk. In mijn kindertijd luisterde ik altijd gebiologeerd naar zijn improvisaties en vertolkingen van Brahms, Widor en Franck. Veel later in het Parijse Conservatorium lazen we grote partituren van Mahler-symfonieën en leerden we hoe we op de piano de verschillende instrumenten uit het orkest konden nabootsen.”

Fournels speelstijl ontwikkelde zich het sterkst bij pianist en pedagoog Gisèle Magnan, die hij leerde kennen in zijn jonge tienerjaren en die nog altijd zijn mentor is. „Zij veranderde mijn perspectief. Virtuositeit boeide mij destijds mateloos. Maar Magnan zei: ‘Dit maakt op mij geen enkele indruk, muziek kan dieper gaan dan deze acrobatiek.’ Dat vond ik eerst lastig. Ik wilde geen Mozart-sonates spelen, maar moeilijke etudes van Liszt. Tot Magnan me liet zien en horen hoe je op de piano, ook in Mozart, als het ware een hele opera kunt naspelen – inclusief de verschillende karakters en gevoelens.”

Fournel trekt die parallel graag door naar de vorm van een sonate: „Wat hebben we nodig: een landschap voor het verhaal, minstens twee personages, een handeling. Dat lijkt precies op de sonatevorm: de expositie is een landschap, de thema’s zijn de personages, de uitwerking lijkt op de handeling. Het gaat me niet om het mooi oppoetsen van de noten, maar om het vertellen van een verhaal. Natuurlijk draait musiceren ook om het vervolmaken van vorm en details, zoals schilders of beeldhouwers dat doen. Maar wat is de waarde van een detail als we niet ook het grote geheel zien?”