Met 20 kilometer per uur over de ijskap

Op expeditie Met een kite, skie’s en slee ging onlangs de Groenlandse ijskap over, om bij 28 graden onder nul sneeuwmetingen te doen.

Na een storm kost het uren om de sledes en tenten uit de diepe sneeuw te graven.
Na een storm kost het uren om de sledes en tenten uit de diepe sneeuw te graven. Foto’s Bernice Notenboom

De orthopeed steekt een lange injectienaald met cortisonen in mijn rechterknie. „Het pijnstillende effect treedt onmiddellijk op, maar is van korte duur”, waarschuwt hij me. Ik heb hem wel verteld over de poolexpeditie die ik ga ondernemen, maar hij heeft geen idee wat mijn knieën precies te verduren gaan krijgen. En dat is maar goed ook, want anders had hij me beslist geadviseerd er niet aan te beginnen. Ik word tenslotte over een paar weken zestig en mijn knieën zijn inmiddels bijna aan vervanging toe. Vrienden en familie vragen regelmatig of het nou niet eens klaar is met mijn barre expedities. In hun ogen heb ik al genoeg bereikt – Noord- en Zuidpool, Everest – maar ik zeg dan dat ik besmet ben met het poolvirus: dan blijf je je grenzen opzoeken. Die grens is deze keer heel veel kilometers maken over de Groenlandse ijskap, met de hulp van de wind en een kite. Tweeduizend kilometer, van zuid naar noord, een trip die je nooit lopend kan doen.

Eric Leegwater en ik zijn al twee jaar met de planning bezig, maar door covid moesten we deze expeditie steeds vooruitschuiven. Eric is kitefanaat en Nederlands kampioen kitebuggy. Toen ons derde teamlid onverwachts niet meekon, had Eric zijn Deense kitevriend Bjørn Wils uitgenodigd. In mijn gehele poolcarrière heb ik al duizenden kilometers afgelegd, maar ik kan me tweeduizend op één expeditie nog amper voorstellen: dat is van Groningen naar Madrid.

De nieuwe kitematerialen en de technieken die gebruikt worden, geven ons de kans om een stuk makkelijker naar plekken te gaan waar we twintig jaar geleden nooit naartoe zouden hebben gekund. Dat is voor mij de reden om deze expeditie te organiseren, naar het terra incognita van de Groenlandse ijskap.

Kiten door de diepe poeder sneeuw. Een welkome afwisseling na 1000 kilometer over sastrugi (ijsrichels). Foto Bernice Notenboom

De leercurve van kiten is steil. Eric en Bjørn zijn goeie sneeuwkiters, maar ikzelf kite slechts op het water. Op ijs met ski’s en met snelheden van 20 kilometer per uur is andere koek. Maar ik kan me al snel niet meer voorstellen hoe ik ooit weer wandelend een zware slee moet voorttrekken, ploeterend met vier kilometer per uur.

Ik ga niet zomaar op expeditie. Er is voor mij altijd een groter doel aan verbonden, namelijk de wetenschap ondersteunen. Voor de Universiteit van Dartmouth ga ik sneeuwmetingen doen. De taak is een kuil van een meter diep graven, lagen van 25 centimeter sneeuw eruit scheppen en die dan analyseren op gewicht en temperatuur. Wetenschappers zijn verheugd over onze expeditie, omdat die veel data over een groot gebied oplevert.

Vorige zomer heeft het voor het eerst op de ijskap geregend. Er komt steeds meer waterdamp in de atmosfeer vrij en door de opwarming van de oceanen stroomt er warme lucht naar de poolgebieden. Het was in die zomer 18 graden warmer dan normaal op de ijskap en daardoor sneeuwde het niet, maar regende het. Die regen zit nu als harde ijslaag ongeveer veertig centimeter diep in de sneeuw. Wetenschappers zijn nieuwsgierig of we deze laag tijdens onze metingen zullen tegenkomen. Regen spoelt de sneeuw namelijk weg, veroorzaakt overstromingen en kan de ijsstructuur instabiel maken. De grootste vraag is of de regen bijdraagt aan het versneld smelten van de ijskap en dus een stijging van de zeespiegel.

Begin van de reis

Het is 5 mei als we vertrekken naar DYE-2, een verlaten radarstation op de ijskap, het startpunt van onze expeditie. Eenmaal aangekomen waarschuwt de helikopterpiloot dat we bij het uitstappen geen enkel stukje huid onbedekt moeten laten, „want dan kun je gelijk weer mee terug”. Het is 28 graden onder nul, maar door de sterke trekwind van de wieken van de helikopter daalt het kwik naar min 45.

Onze sledes met spullen – tent, slaapzak, eten, brandertje en brandstof, zonnepanelen, warme kleren – worden naar buiten gehesen en minuten later staan we moederziel alleen op de gigantische ijskap op 2.300 meter hoogte.

Om de hoeveelheid kilometers te kunnen kiten die wij gaan kiten, heb je betrouwbare wind nodig, en hoe hoger op de ijskap, hoe beter de wind. De koude lucht is zwaarder en door zwaartekracht maakt hij een neerwaartse beweging naar de kust. Katabatische wind heet het, met snelheden tot meer dan 200 kilometer per uur.

De ‘sun dog’ rond de zon - een teken van slecht weer op komst.
Foto’s Bernice Notenboom
Een storm uitzitten in de tent.
Foto’s Bernice Notenboom
Na een storm kost het uren om de sledes en tenten uit de diepe sneeuw te graven.
Foto’s Bernice Notenboom
Foto’s Bernice Notenboom

We hebben voor 35 dagen eten en brandstof mee. We zetten onze tenten op en ik kijk op het etiket van mijn slaapzak: geschikt tot -40 graden. Deze slaapzak was me trouw op mijn trip naar de Zuidpool, maar nu lig ik te bibberen, ik kan het niet warm krijgen. Een onbehaaglijk gevoel overmeestert me en ik vraag me af waar ik aan begonnen ben.

Met kites kun je 120 kilometer per dag afleggen – als je skiet en een sleetje trekt dan is dat 25 kilometer per dag – en zo is ons doel gemakkelijker te realiseren. We hebben voor 35 dagen proviand bij ons. Met kiten liggen wel gevaren op de loer. Plotselinge windvlagen kunnen je de lucht in trekken en je seconden later als een zak aardappelen weer laten neerploffen op het harde ijs, met het risico op een beenbreuk. Daarnaast is een kite in harde wind neerleggen riskant, want hij kan er plotseling weer vandoor gaan – met jou eraan. En dan is er nog de onafgebroken focus die je moet hebben op je kite hoog in de lucht. Al die dingen blijven die eerste nacht maar door mijn hoofd spoken.

Eenmaal begonnen kunnen we ons dagelijks ritme lastig vinden. De extreme temperaturen zorgen ervoor dat je de tent eigenlijk niet uit wilt en daar komt de wind nog eens bovenop. Rubber en plastic worden onhandelbaar stijf en breekbaar, batterijen van apparaten lopen leeg. Als de lijnen van de kite in de klit zitten, kan je die alleen met blote vingers weer ontrafelen met risico op bevriezingen. En tijdens het kiten zelf ben je voortdurend bezig je handen op te warmen door een vuist in je wanten te maken en met je tenen te blijven wiebelen om bevriezingen te voorkomen. Ik had nooit gedacht dat ik acht lagen kleding zou dragen en daaroverheen nog een dikke, donzen parka.

Direct vanaf het begin van de expeditie hebben we een achterstand. Elke dag dat we vanwege de storm de tent niet uit kunnen, betekent de dubbele afstand kiten een volgende dag. Er zijn problemen met de sleetjes en het duurt af en toe uren voordat de kitelijnen weer goed liggen. En door de harde wind en kou ontstaan hoge ijsrichels van harde sneeuw (sastrugi) op de ijskap waar we haaks en langzaam overheen moeten skiën. Deze sastrugi liggen op duizend kilometer van onze route; alleen met veel pijnstillers wordt het uiteindelijk draaglijk voor mijn knieën. Alles in mijn slee gaat kapot door het gebeuk over die ijsrichels. De Pringles zijn kruimels geworden in hun huls en mijn vitamine-C-tabletten kan ik opsnuiven.

In ieder profiel vonden we een laagje ijs op ongeveer 40 centimeter diep. Vraag is of dit de regen was van de zomer 2021.
Foto Bernice Notenboom
Foto Bernice Notenboom
Foto Bernice Notenboom
Foto’s Bernice Notenboom

Verstand op nul

Na tien dagen sukkelen steken we de koppen bij elkaar en bekijken alle opties, inclusief de expeditie opgeven. Die dag hadden we maar acht kilometer afgelegd en ik raakte gefrustreerd door alle uitdagingen die voortdurend op ons pad kwamen. Teruggaan is niet realistisch, want we kunnen niet tegen de wind in terug: met temperaturen van 30 graden onder nul bevriest je gezicht. We zouden opgepikt kunnen worden door een helikopter, maar dan moeten we naar plekken waar gevaarlijke gletsjerspleten zijn.

We besluiten toch door te gaan. Verstand op nul, met meer discipline en een strak schema. De wekker gaat om 6 uur en we kiten zeventig tot honderd kilometer per dag, ongeacht hoelang het duurt. Een paar dagen later passeren we de magische grens van duizend kilometer en begin ik al met aftellen. Ik vrees niet meer of we het gaan halen en de knoop in mijn maag verdwijnt.

Lees ook: Natuurdocu’s: waarschuwen of juist heerlijk wegdromen?

Na 24 dagen kiten, zien we de rotswanden in het fjord rondom het dorpje Qaanaaq in het uiterste puntje van Noordwest-Groenland, ons einddoel. Het vasteland zien, doet me eindelijk ontspannen. Ik geniet van ‘milde’ temperaturen – 15 graden onder nul – en verse poedersneeuw onder mijn ski’s. De expeditie begint zowaar even op een wintersportvakantie te lijken. We dalen duizend meter af naar de rand van de ijskap en hoe lager en dichter bij de kust, hoe minder wind. Die blijft ons goedgezind tot de allerlaatste seconde en als we de kites dan eindelijk uit de lucht laten vallen, is de expeditie geslaagd. We zetten nog één keer onze tenten op en doen ook voor de laatste keer sneeuwmetingen. Die hebben we onderweg elke honderd kilometer gedaan en inderdaad, in iedere kuil zagen we dezelfde harde ijslaag terug. Voor conclusies daarover is het nog te vroeg, maar het is op z’n minst opvallend dat we deze laag overal op de ijskap tegenkwamen.

Die avond in de tent word ik alweer bevangen door het poolvirus. „We kunnen volgend jaar langs de kust van het oosten naar het zuiden van Groenland kiten, dan hebben we een rondje gedaan”, opper ik. Eric en Bjørn kijken me verbaasd aan. Mijn innerlijke stem zegt me dat ik tevreden moet zijn met deze expeditie en moet genieten van ons succes. Ik weet op mijn zestigste nog steeds niet waar mijn grenzen liggen, maar ook niet of die ik wel moet opzoeken.