Verklein de kans op dementie door je hersenen actief te houden

Preventie Wie de kans op dementie wil verkleinen, doet er goed aan nieuwsgierig te blijven, veel te bewegen en gezond te eten.

Illustratie Martien ter Veen

Wie zijn kans op dementie in de toekomst wil verkleinen kan het best een leven lang nieuwsgierig blijven, veel bewegen en gezond eten. „Probeer steeds wat nieuws – iets wat je nog nooit eerder hebt gedaan. Leer een nieuwe taal, zoek een nieuwe omgeving, ga een instrument bespelen. Ga naar het theater of de bioscoop. Zoek een mentaal uitdagende baan of hobby’s.” Dat zijn de eerste tips van dementieonderzoeker Sebastian Köhler [geen familie, WK]. Köhler werkt als neuro-epidemioloog aan de Maastricht University en leidt de onderzoeksgroep Risico en Preventie van het Alzheimercentrum Limburg.

Begin er vroeg mee, zo vanaf je veertigste, maar ook pensionado’s kunnen hun dementiekans nog reduceren, zegt hij: „Doe vrijwilligerswerk. Of pak bijvoorbeeld eens de Playstation van je kleinkind en ontdek hoe die werkt. Blijf praten, zoek mensen op. Voor je hersenen is dat topsport. Als je uit je comfortzone komt, gaan je hersenen aan het werk.”

Dat is de crux, legt Köhler uit: in werkende hersenen ontstaan nieuwe onderlinge verbindingen tussen hersencellen en hersendelen. Wie daarvan een flinke reserve heeft, blijft langer functioneren als door het sluipende dementieproces hersenverbindingen wegvallen.

Naast blijvende nieuwsgierigheid is gezond leven belangrijk: beweeg en sport regelmatig, rook niet, blijf op een goed gewicht, matig je alcoholgebruik en eet weinig vlees, regelmatig vis en veel groente. Gezond leven verlaagt bovendien de kans op hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en kanker.

Specifieker voor dementie is dat stress, hersenschade, doorgemaakte depressie en mogelijk ook gehoorbeschadiging de kans op dementie verhogen.

De overheid, voegt Köhler toe, kan helpen door gezonde wijken in te richten, veilige wegen aan te leggen, sport te stimuleren, de verkoop van tabak, alcohol en ongezond voedsel actief tegen te werken en gezonde voedingsmiddelen goedkoper te maken.

Er zijn meer dan tien factoren waarmee geheugenachteruitgang een beetje af te remmen is. En soms duiken er nog nieuwe op. Met zijn onderzoeksgroep maakte Köhler tien jaar geleden een eerste grote inventarisatie van al het bekende, maar versnipperd uitgevoerde dementiepreventieonderzoek. Na consultatierondes met internationale deskundigen rolde er het LIBRA-model uit, met een gefundeerde schatting van hoeveel procent van alle dementie door welke risicofactoren wordt bepaald. Daarna deden commissies van het medisch-wetenschappelijke tijdschrift The Lancet en de Wereldgezondheidsorganisatie iets soortgelijks.

Daardoor houden dementiepreventieonderzoekers het er tegenwoordig op dat 40 procent van alle dementie ontstaat door beïnvloedbare risicofactoren. Er zijn ook niet-beïnvloedbare risicofactoren. Geen invloed heb je op je leeftijd. En over het pakket genen waarmee je wordt geboren heb je ook niks te zeggen. Oud worden is veruit de belangrijkste risicofactor voor dementie.

Vier op de tien 90-plussers in Nederland, en een kwart van de 80-plussers, hebben zulke haperende hersenen dat de diagnose dementie op zijn plaats is. Hun geheugen is merkbaar achteruitgegaan, nieuwe informatie ontglipt hun meteen weer, ze kunnen zich slecht concentreren, of hun sociale gedrag en persoonlijkheid veranderen. Alle combinaties komen voor.

Over één kam

Werkzame medicijnen om de ziekte te stoppen zijn er niet, hoewel er de afgelopen veertig jaar miljoenen zijn uitgegeven aan onderzoek om die te vinden. Vrijwel alle middelen zijn op de hindernisbaan naar de apotheek gesneuveld.

Daarom staan de schijnwerpers nu vol op preventie van dementie. De belangrijkste vormen van dementie worden daarbij over één kam geschoren: alzheimer, vasculaire dementie en Lewy-body-dementie. Bij de zeldzamere frontotemporale dementie speelt erfelijkheid vaak een belangrijke rol.

Het goede nieuws is dat het effect van preventie door onderzoekers al wordt gezien: sinds de jaren negentig daalt het percentage mensen dat bij een bepaalde leeftijd dement is met 13 procent per decennium. Dat was een toevallige ‘bijwerking’ van de preventie van hart- en vaatziekten, waarbij veel dezelfde risicofactoren een rol spelen.

Ondanks deze procentuele daling zal het aantal mensen met dementie in Nederland nog tot 2050 stijgen, is de verwachting. Dat komt doordat er in Nederland veel oude mensen bij komen – de babyboomers. Een verdere domper op dit goede nieuws over preventie is dat niet de volle 40 procent van alle dementie te voorkomen is. Want niet alle risicofactoren laten zich vernietigen.

Vrijwel alle middelen tegen dementie zijn op de hindernisbaan naar de apotheek gesneuveld

Hersenschade is bijvoorbeeld een risicofactor die volgens de Wereldgezondheidsorganisatie 3,4 procent van de dementie veroorzaakt. Natuurlijk: niet boksen, niet koppen bij het voetballen, een helm dragen op fiets, motor en bouwplaats, een autogordel omdoen bij het autorijden, dat helpt allemaal. Overheden die overzichtelijke wegen bouwen en eisen stellen aan de arbeidsomstandigheden, dat werkt ook. Maar domme pech blijft bestaan.

Het betekent ook niet dat iedereen zijn eigen kans op dementie met 40 procent kan verlagen door alle adviezen op te volgen. Sommige mensen hebben de pech te worden geboren met genvarianten die de kans op dementie fors verhogen. In een kennisoverzicht met onderzoeksaanbevelingen over dementiepreventie dat Köhler met Nederlandse collega’s begin dit jaar voor Alzheimer Nederland schreef, staat dan ook de aanbeveling: „Communiceer níét dat 40 procent van de dementiegevallen voorkomen kan worden.” Al was het maar omdat mensen zich schuldig gaan voelen als ze toch dement worden. Of dat dementie een ziekte wordt van ‘eigen schuld dikke bult’.

Want makkelijk is het niet om dementie te voorkomen.

De ziekte ontstaat heel langzaam, over een periode van decennia. Eigenlijk over het hele leven. Weinig opleiding in de jeugd is bijvoorbeeld een ‘beïnvloedbare risicofactor’. Köhler: „Een lange schoolopleiding is belangrijk, maar een leven lang leren helpt ook. En mentaal uitdagend werk. Ondertussen moet je je wel afvragen of je mensen echt al veertig of vijftig jaar van tevoren moet gaan waarschuwen tegen dementie. Als mensen niet uit eigen belangstelling een nieuwe taal gaan leren, naar de bioscoop of het theater gaan, maar ‘om dementie tegen te gaan’, wat doet dat met ze? Vinden ze het nog leuk? Die lange adem in de preventie van dementie is heel moeilijk.” Ook onderzoekers worstelen met die lange adem.

Illustratie Martien ter Veer

Slecht slapen

De nu bekende risicofactoren zijn gevonden in onderzoek waarin bij grote groepen mensen met ieder hun eigen leefstijl, gedrag en geschiedenis jarenlang wordt bijgehouden welke ziekten ze krijgen en waar ze aan sterven. Zo worden risicofactoren gevonden voor ziekten en voor een voortijdige dood. Maar zulk observationeel onderzoek levert nooit het sterkst mogelijke wetenschappelijke bewijs voor risicofactoren.

Het langlopende observationele onderzoek naar dementie zit bijvoorbeeld vol valkuilen. Neem de onderzoeksvondst dat slecht slapen een risicofactor voor dementie is. Het is ook bekend dat mensen met een beginnende dementie soms slecht slapen. Dus in de onderzoekswereld blijft de vraag hangen: is slapeloosheid slecht voor je hersenen waardoor je eerder dement wordt? Of is het slechte slapen een vroege uiting van dementie. Köhler: „We zullen er nog een tijd mee moeten leven dat er geen hard wetenschappelijk bewijs is.”

Lees ook: Dementie gooit het hele leven overhoop

Onderzoek waarbij een deel van de deelnemers voeding- en leefstijladviezen krijgt en een ander deel niet kan uitkomst brengen. Het Finse FINGER-onderzoek was daar een vroeg voorbeeld van. Köhler: „Na twee jaar konden met neuropsychologische tests subtiele verschillen worden aangetoond. De groep die de interventie kreeg, presteerde beter.” Het is belangrijk om te zien dat bij een langdurig proces als dementie er ook na twee jaar al meetbare verschillen zijn als mensen zich gezonder gedragen.

Een gemoderniseerde vorm van FINGER start nu in verschillende landen. Waaronder Nederland. Köhler: „Voor mensen die actief en nieuwsgierig willen blijven is dit een kans: doe mee aan wetenschappelijk onderzoek.”