Recensie

Recensie Boeken

Volwaardig leven in een computersimulatie: volgens deze filosoof kan het

Technofilosofie De vraag naar de aard van de werkelijkheid blijft actueel onder moderne filosofen. Sterfilosoof David J. Chalmers stort zich in zijn nieuwe boek op de wereld van computersimulaties en virtual reality.

Still uit de film The Matrix Resurrections met Keanu Reeves.
Still uit de film The Matrix Resurrections met Keanu Reeves. Warner Bros / Courtesy Everett Collection

Droom ik of is dit echt? Wat is het verschil eigenlijk en hoe kom ik daar achter? Door wakker te worden, een pilletje te slikken of na te denken? Sinds de film The Matrix (waarin mensen tot slaaf zijn gemaakt in een computersimulatie van machines) zijn die vragen filosofisch strooigoed geworden in de popcultuur.

Ze zijn klassiek. Griekse, Indiase en Chinese denkers braken zich al het hoofd over de aard van de werkelijkheid en wat ‘echt’ is. Ook moderne academische filosofen houden zich er nog volop mee bezig. Een van de meest spraakmakende is David J. Chalmers, een eigentijdse sterfilosoof die uiteraard ook al zijn licht liet schijnen over The Matrix.

Chalmers werd beroemd met onderzoek in filosofie van de geest naar het ‘harde probleem’ van bewustzijn. Die term slaat op zijn idee dat onze subjectieve beleving van de werkelijkheid niet te verklaren is in materialistische theorieën. In zijn nieuwe boek Reality+ stort hij zich op de digitale werkelijkheid, die van computersimulaties en virtual reality. Zouden we in virtuele werelden, nog vaak beschouwd als tweederangs of ‘onecht’, ook bewust en volwaardig kunnen leven?

Zijn antwoord is een volmondig ja. Chalmers verdedigt in het boek drie stellingen. Allereerst dat virtuele werelden even reëel zijn als de empirische (aan de hand van vijf criteria, zoals: ze zijn geen hallucinaties, kennen oorzaak en gevolg, ze bestaan onafhankelijk van de geest). Twee: dat we niet zeker kunnen weten of wij niet zelf al in een virtuele werkelijkheid leven. En ten slotte betoogt hij dat je ook in een virtuele wereld een waardevol en moreel leven kunt leiden.

Chalmers schrikt niet terug voor de uiterste consequenties van die positie. Zo kan hij zich voorstellen dat het moreel onacceptabel zou zijn om in een perfecte simulatie vijf virtuele mensen te vernietigen om één mens in de ‘echte’ wereld te redden. Ook houdt hij het voor mogelijk dat we met digitale middelen onsterfelijk kunnen worden; hij vermoedt dat ‘wanneer onsterfelijkheid eenmaal mogelijk is geworden, mensen zich zullen afvragen hoe ze ooit anders hebben geleefd.’

Pakkend maar controversieel

Science-fiction? Voor deze eigentijdse denker is dat geen bezwaar, het kan helpen bij gedachte-experimenten. Zelf spreekt hij liever van ‘technofilosofie’ die aansluit bij computertechnologie en AI – en inzichten eruit op de spits drijft.

Chalmers argumentatie is pakkend, maar ook controversieel en in de filosofie allesbehalve mainstream. Hij bestrijdt het argument van zijn analytische vakgenoot Hilary Putnam dat het idee van een alomvattende, levensechte simulatie zoals in The Matrix incoherent is en zichzelf weerlegt. Stel dat we een ‘brein-in-een-vat’ zouden zijn, betoogde Putnam (een menselijke brein dat elektrische impulsen krijgt om ervaringen te simuleren), dan zouden we niet eens in staat zijn die diagnose te stellen. Omdat de betekenis van woorden in zo’n brein ‘íntern’ blijft, verwijzen die nooit naar een wereld ‘buiten’, dus ook niet naar een echt brein in een echt vat. Daaruit volgt dat áls we een brein in een vat zijn, de bewering ‘Ik ben een brein in een vat’ niet waar kan zijn – en dus klopt de hypothese niet.

Op Chalmers maakt dat geen indruk. Putnams bezwaar dat betekenis ‘intern’ blijft, gaat volgens hem alleen op voor bepaalde woorden – en bovendien zou ‘ik ben een virtueel brein in een virtueel vat’ nog steeds waar kunnen zijn. Het gaat hem ook niet zozeer om kennis en taal, zijn vraag is een metafysische: naar de aard van de werkelijkheid. Als die fundamenteel bestaat uit ‘bits’, stukjes informatie zoals in computers, is het denkbaar dat we in een simulatie leven, gemaakt door wezens één wereld ‘hogerop’.

Lees ook: Filosoof David Chalmers: ‘Leven in de metaverse kan net zo fijn zijn’

Maar Chalmers is geen scepticus zoals René Descartes, die het bestaan van een objectieve buitenwereld radicaal in twijfel trok. Net als Putnam en veel andere filosofen verwerpt hij de mogelijkheid van zo’n radicale twijfel aan alles. De buitenwereld bestaat wel degelijk. Alleen, voegt hij eraan toe, gesimuleerde werelden zijn net zo echt, althans voor wie erin leeft. Maar hoe kunnen we dat zeggen, als we misschien zelf al gesimuleerd zíjn?

Chalmers bouwt zijn ontologie (de leer van wat bestaat) toegankelijk op en lardeert zijn betoog met aansprekende voorbeelden uit films en ervaringen met virtual reality. Maar hoewel allesbehalve onzinnig, blijft zijn pop-metafysica wel speculatief en roept die tal van lastige vragen op over kennis, taal en ervaring. De intuïtie dat virtual reality een afgeleide werkelijkheid is, blijft ook na lezing van zijn argumentatie onverminderd sterk.

Dat hoeft het leesplezier van dit filosofische avonturenboek niet te drukken. Er komt van alles langs, van klassieke vragen uit de geschiedenis van de filosofie tot God als hacker, deep fakes, nepnieuws, Plato, videogames en de Hof van Eden. Helder uitgelegd, zonder dat Chalmers simplistisch wordt. Daarvoor is hij, ondanks zijn hang naar science fiction, een veel te serieuze filosoof – ook in de echte wereld.