Recensie

Recensie Boeken

Het kerkje wordt alleen nog gebruikt voor blokfluitconcerten

Martha Heesen Schuld en wroeging beschrijft Heesen: morsige types die wat ooit voorviel niet van zich af kunnen schudden. Gaf Cor zijn dochter meer mee dan ‘de bedorven adem van een vol café’?

Een bruine kroeg midden in de Amsterdamse Jordaan
Een bruine kroeg midden in de Amsterdamse Jordaan Foto ANP/ Lex van Lieshout

Zeven jaar geleden ontving Martha Heesen (1948) de Theo Thijssen-prijs, een oeuvreprijs die door deze krant de ‘jeugdliteraire evenknie van de P.C. Hooft-prijs’ werd genoemd. Wie weet heeft het met die bekroning te maken dat Heesen zich nadien op literatuur voor volwassenen is gaan richten. Daarin beschrijft ze bij voorkeur oudere, soms wat morsige types die zich niet alles wat er in hun lange leven voorviel meer even goed voor de geest kunnen halen. In Zeiseman (2018) lazen we over een oudere man die bestormd werd door herinneringen, in De lus (2020) over een oudere vrouw die met berouw in het hart langs de vaste route van een trambestuurder stond te wachten.

Dit, de ouden van dagen die zich in het aangezicht van de dood buigen over dat wat al lang en breed achter ze ligt maar wat zich niet langer laat wegdrukken, bepaalt ook het nieuwe Achter de slaperdijk, met een wrokkige oude man die onder de bemoste markiezen van z’n ooit zo vlot draaiende kroeg op de voorbij wandelende dorpsgenoten kankert. De kroeg staat te koop, maar trekt maar weinig aspirant-kopers. Het is er vies en stoffig, de plek ademt verval. En er is schuld. Zo wordt de vraag opgeworpen of kroegbaas Cor het als vader wel goed deed, hij die een kind misschien niet meer meegaf ‘dan de bedorven adem van een vol café en de herinnering aan schuimkragen van vier meisjesvingers dik’. Dat hier meisjesvingers staat in plaats van vingers roept natuurlijk onmiddellijk het beeld op van een minderjarige die al bier stond te tappen. Achter de slaperdijk zit vol met dit soort kleine vondsten. Heesen verstaat haar vak.

Roemloze levens

Haar ware literaire kunst gaat schuil in het verspringen, zelfs het vertroebelen van het vertelperspectief. Vaak weet je niet goed wie spreekt, of er iemand over zichzelf nadenkt of dat een ander dat doet. En sowieso is het al niet erg wijs om iemand op z’n woord – dat is geworteld in de herinnering – te geloven. Zo loopt er ook een dichter in de novelle rond, die met zo ongeveer iedereen in onmin leeft. Maar die Cor, ja, in hem ging wel iets diepzinnigs schuil. Blijk je te hebben gelezen wat Cor dénkt hoe die dichter over hem denkt. Dat kan die dichter niet over z’n kant laten gaan, en in de volgende alinea geeft hij die ‘aftandse tapper’, die ‘bankroete patroon’ z’n vet, met dat ‘wazige sociologische gezever’ van hem.

Wat Heesen hier op de korrel lijkt te nemen is de ogenschijnlijke kalmte van de roemloze levens in een kleine gemeenschap. Zo uitgekristalliseerd zou ik er ook wel bij willen zitten later, denk je wel eens, als je in een gehucht een oude man of vrouw ziet knikkebollen onder een parasol. Heesen maakt inzichtelijk dat zo’n ideaal een fantasma is, simpelweg omdat wij mensen zijn en geen koeien in een wei, grazend totdat je een ons weegt. ‘Wat willen ze, willen ze wel iets?’, vraagt iemand zich over de dorpsbewoners af. ‘Ja, een plantenleven willen ze, net als hun ouders en voorouders kalmpjes vegeteren op de klei, ontkiemen, opgroeien, verwelken en doodgaan, is er dan niet meer nodig, welnee, dat volstaat, en zelfs het kerkje wordt alleen nog maar gebruikt voor handwerktentoonstellingen en blokfluitconcerten sinds de dominee vertrokken is.’