Analyse

Ook de handlangers bij de terreuraanslagen in Parijs gaan de cel in

Bataclan-proces Woensdag eindigt in Parijs het proces over de terreuraanslagen van 13 november 2015, waarbij 130 doden vielen. Tegen de hoofdverdachten, Salah Abdeslam voorop, is levenslang geëist. Ook de handlangers riskeren lange straffen.

Parijzenaren herdenken bij restaurant Casa Nostra de aanslagen van november 2015 .
Parijzenaren herdenken bij restaurant Casa Nostra de aanslagen van november 2015 . Foto Lionel Bonaventure/AFP

Zes, zo gebaarde Mohammed Amri naar Salah Abdeslam op 8 september vorig jaar, de eerste dag van het proces over de terreuraanslagen van 13 november 2015 in Parijs. Zes jaar zit Amri in de gevangenis vanwege het telefoontje dat hij die fatale avond kreeg van Abdeslam, de enige overlevende van de Parijse moordcommando’s.

Abdeslam had autopech gehad in de buurt van Parijs, kon Amri hem komen ophalen? Het was het soort vriendendienst dat je niet kunt weigeren in Molenbeek, de Brusselse gemeente waar veel van de verdachten vandaan komen.

„Als ik het opnieuw kon doen, had ik Abdeslam de auto uitgeschopt”, zei Amri maandag, toen de verdachten een laatste keer het woord kregen voordat woensdag het vonnis wordt geveld in het langstdurende proces in de naoorlogse geschiedenis van Frankrijk.

De rechtbank beslist dan niet alleen over het lot van Abdeslam, de bekendste verdachte, maar ook over de mensen die hand-en spandiensten hebben verleend aan het terroristische netwerk. Les petites mains, heet dat in het Frans: de kleine handjes.

Amri heeft altijd gezegd dat hij niet op de hoogte was van de aanslagen, of Abdeslams rol daarin, toen hij in de auto stapte. Hij en Hamza Attou, een in alle haast opgetrommelde vriend, hadden het hele traject naar muziek geluisterd en jointjes gerookt. Amri en Attou wisten op de terugweg uit Parijs wel wat er aan de hand was: Abdeslam heeft het toen opgebiecht. En zij hebben niks gezegd.

Op vrije voeten

Attou, Ali Oulkadi en Abdellah Chouaa zijn de enige verdachten die op vrije voeten hun proces bijwonen, een bewijs dat het Franse Openbaar Ministerie hen niet als een bedreiging voor de samenleving ziet. Het OM prees deze maand zelfs hun ‘onberispelijke gedrag’: „Hoewel ze vrij zijn, waren ze elke dag aanwezig op het proces, iets wat financieel best moeilijk was, gezien ze in België wonen.” Om vervolgens toch vijf, zes en zes jaar cel tegen hen te eisen. (Tegen Amri is acht jaar geëist; hij had ook vóór de aanslagen geholpen met het huren van auto’s.)

„Jij hebt mijn leven verwoest, broer”, zei Chouaa maandag in tranen tegen Mohammed Abrini. „Ik weet niet of ik je dit ooit zal kunnen vergeven.”

Chouaa wordt verweten dat hij Abrini, die present was bij de aanslagen in Parijs én die in Brussel het jaar daarop, op 23 juni 2015 naar de luchthaven heeft vervoerd, op weg naar Syrië via Turkije. Dat wist hij niet, zegt Chouaa, en toen hij het besefte, heeft hij Abrini aangegeven bij de politie. Eerder had hij hetzelfde gedaan met zijn eigen jongere broer, toen hij die zag radicaliseren. „Als u hem veroordeelt, zullen de terroristen opnieuw gewonnen hebben”, pleitte Chouaa’s advocaat eerder deze maand.

Ali Oulkadi staat terecht omdat hij Abdeslam een lift heeft gegeven binnen Brussel, nadat hij was afgezet door Amri en Attou. Het OM verwijt de hele club „een misplaatst gevoel van loyaliteit tegenover een buurtvriend” en „laksheid ten overstaan van het jihadistisch geweld”.

Microkosmos van Molenbeek

Als het Parijse proces iets heeft verhelderd, dan is het wel de microkosmos van Molenbeek, en hoe het jihadistische gedachtegoed daar in de aanloop naar de aanslagen zo makkelijk kon gedijen. Het proces was zo opgebouwd dat eerst de levens van de verdachten in onverdachte tijden aan bod kwamen, vervolgens hun radicalisering en voor sommigen het vertrek naar Syrië, en daarna pas hun rol bij de aanslagen zelf.

De verdachten konden onbevangen vertellen over het beruchte café Les Béguines in Molenbeek, waar jointjes werden gerookt, drugs werden gedeald en waar vanaf 2014 naar de gruwelvideo’s van Islamitische Staat werd gekeken.

Wie Molenbeek goed kent, is Stanislas Eskenazi, de advocaat van Mohammed Abrini. Eskenazi is er zelf opgegroeid, zijn moeder woont er nog. In januari troonde hij een tiental Franse collega’s mee om hun te tonen dat Molenbeek meer is dan het clichébeeld dat men er in Frankrijk van heeft.

Eskenazi heeft geen goed woord over voor Abdeslam. „Hij is zo’n typische Brusselse sukkelaar, hè”, zegt hij half juni op een caféterras nabij het justitiepaleis. „Zelfs als crimineel was hij een mislukking: zijn enige inbraakpoging heeft hem in de gevangenis doen belanden. Dan gaat hij naar Parijs, maar hij gaat niet tot het uiterste. Om vervolgens zijn vrienden mee in de afgrond te sleuren. Nee, ik heb geen geduld met dat soort mensen.”

Over zijn eigen cliënt is Eskenazi begrijpelijk milder. „Hij heeft ook een crimineel verleden, maar hij was tenminste succesvol. Als hij niet bevriend was geweest met Brahim Abdeslam, had mijn cliënt hier nooit gestaan.” Brahim is de broer van Salah Abdeslam, degene die zichzelf op 13 november 2015 wél opblies in Parijs.

Het Molenbeekse ons-kent-ons-gevoel is ook een verdedigingsstrategie, en er is in dit dossier geen gebrek aan dode daders om de schuld te geven. In de rechtszaal leek het er sterk op dat Abdeslam en Abrini hun verdediging hebben doorgesproken: het was allemaal de schuld geweest van Abdelhamid Abaaoud, de organisator van de aanslagen, die vijf dagen nadien is doodgeschoten door de politie.

Abdeslam en Abrini waren de dag voor de aanslagen allebei op het onderduikadres nabij Parijs. Maar Abrini nam in het holst van de nacht een taxi terug naar Brussel. Daardoor zou Abaaoud hebben beslist dat Abdeslam zijn plaats moest innemen. Maar ook Abdeslam verandert op het laatste moment van gedachten, „uit menselijkheid”, zo getuigde hij in april.

Alleen: Abrini is in 2016 opnieuw van de partij op de luchthaven van Zaventem. Hij is de ‘man met hoedje’ die na de aanslag wegloopt. „Waarom doet u op 22 maart 2016 hetzelfde? U staat op dat moment niet meer onder invloed van Abaaoud”, vroeg rechtbankvoorzitter Jean-Louis Périès hem in maart. „Dat is een uitstekende vraag”, gaf Abrini toe. Het antwoord bleef hij schuldig.

Abdeslam en Abrini hebben gehamerd op het feit dat zij zelf niemand hebben gedood. Maar de bewijzen over hun betrokkenheid wegen zo zwaar dat hun advocaten niet eens om vrijspraak hebben gevraagd.

De verdedigers van Abrini vroegen om dertig jaar, in plaats van levenslang. Die van Abdeslam stelden alleen ter discussie dat hij, als het van het OM afhangt, nooit vervroegd kan vrijkomen. Dat is een maatregel die in 1994 werd genomen na de moord op een achtjarig meisje door een crimineel die vervroegd was vrijgelaten na een eerdere moord; de maatregel werd na de aanslagen van 2015 uitgebreid naar terrorismezaken.

Schiphol

Over de feiten heeft het proces in negen maanden tijd weinig nieuws aan het licht gebracht. Zo blijft het een vraagteken of er op 13 november 2015 ook een aanslag was gepland op Schiphol, zoals het OM beweert. Twee beklaagden, Osama Krayem en Sofiane Ayari, waren die dag op Schiphol. Hun advocaten zeggen dat zij daar waren om een ander lid van de groep, Ahmed Dahmani, op het vliegtuig naar Turkije te zetten.

Krayem en Ayari hebben er het zwijgen toe gedaan tijdens het proces. Zij zijn de meest prominente IS-leden in de beklaagdenbank, en zij hadden kunnen zeggen hoe en door wie de aanslagen zijn bedacht. Het Franse OM ziet de Belg Oussama Atar als het brein. Atar is wellicht in 2017 gesneuveld in Syrië. Voor alle zekerheid heeft het OM ook tegen hem levenslang geëist.

Abdeslam was maandag de enige die uitvoerig gebruik maakte van zijn laatste spreekkans. Hij herinnerde zijn toehoorders aan de excuses die hij eerder heeft aangeboden aan de slachtoffers. Die waren oprecht, en geen verdedigingsstrategie, zei hij. Hij sloot af met de woorden: „Ik ben niet perfect. Maar ik ben geen moordenaar. En als u mij veroordeelt wegens moord, dan begaat u een onrecht.”