Recensie

Recensie Boeken

Nou ja, zó moeilijk kan het moederschap toch niet zijn? (O jawel)

Babyboeken Nou, het krijgen van een kind vraagt wel wat meer dan je had gedacht toen je zwanger werd. Renske de Greef en Ianthe Mosselman schreven ieder een boek over moederschap. „Niemand heeft ons verteld hoe dit moet.”

Foto Sanja Marusic

Een prinses vindt een prins en ze krijgen, hopsakee, hoera, samen een kind. En dan? Dan leven ze nog lang en gelukkig, natuurlijk, zonder gedoe.

Of niet? Gaat dat niet zo gemakkelijk?

Feitelijk heb je geen idee wat je overkomt, wanneer je je eerste baby krijgt. Dat was, of is nog steeds (dan wel nu meer dan ooit), het geval, zo blijkt uit een hausse aan getuigenissen van jonge ouders, zowel in roman-, als in memoires- en essayvorm, die momenteel de boekhandels overspoelt.

Van ouders? Nee hoor, van moeders, bijna uitsluitend. In diverse toonaarden zingen ze hetzelfde liedje, over de verwachtingen die aan vrouwen met kinderen in ons deel van de wereld heden ten dage worden gesteld. Over geworstel dat zo persoonlijk niet is, en toch, tegelijkertijd, ook weer wel.

In Al die liefde en woede verwoordt Ianthe Mosselman (1989) het als volgt: „Ik kon me enigszins op de komst van een kind voorbereiden, maar ik kon me geenszins voorbereiden op de komst van mijn kind, want ik wist niet wie hij zou zijn. Ik wist ook niet hoe ik zou zijn als zijn moeder. Er zit een ongelofelijke onzekerheid in het krijgen van een kind. Het is niet in te schatten wat het ouderschap behelst, het is niet voor te stellen, het is te groot, te abstract, te anders van alles wat je tot dan toe kende.”

Al verbeeld je je van wel, zo blijkt ook uit Mamamorfose, een ‘coming-of-moederschapsboek’ in woord en beeld van Renske de Greef (1984). Bevallen zal wel even pijn doen, stelt zij, maar toch: „Hup lijf en laten we snel thuiskomen met een lekker geurende baby.” Kat in het bakkie, kind in het (draag)zakkie, voort gaat het, als vanzelf, onveranderd.

Pijnlijk eerlijk

Toch zetten beide vrouwen zich al wel schrap tijdens hun zwangerschap, ondanks hun laconieke idee dat ze na de bevalling terugveren in hun oude gedaante, zowel fysiek als geestelijk. Er komt iets bij, immers, er gaat niet iets af. Ze hoorde het niet, schrijft De Greef, als anderen haar waarschuwden, of ontkende het, verbeeldde zich het heel anders te gaan doen. Haar sprankelende, geestige en ook pijnlijk eerlijke, beklemmende boek wemelt van de ‘waarom heeft niemand me verteld dat…’-zinnen.

En ook Mosselman schrijft het keer op keer: „Niemand heeft ons verteld hoe dit moet”, bijvoorbeeld als zij en haar partner voor het eerst alleen met de baby thuis zijn. Niemand heeft haar ook verteld dat je je vagina liefst nooit meer aan iemand wilt laten zien na een bevalling, of hoe je met de komst van een kind voorgoed het gevoel te falen, schuldig te zijn, tekort te schieten meekrijgt. Zowel Mosselman als De Greef ervaren vanaf hun zwangerschap, maar zeker na de komst van het kind, maar bitter weinig grip op hun wezen. Wie zijn ze nu nog helemaal?

Beiden zoeken naar de oorzaak. En beiden willen aldoor vooral sterke en dappere, onafhankelijke individuen zijn en blijven, ook na de bevalling. „Nog meer de cool girl dan ik al was”, schrijft Mosselman. De angst om, eenmaal moeder, niet meer voor vol te worden aangezien, speelt beiden parten.

Afbeelding uit Mamamorfose van Renske de Greef. Illustratie Renske de Greef

Vanaf de conceptie zijn vrouwen saai, in plaats van bijvoorbeeld slim, vooruitstrevend of grappig. Mosselman ziet de redenen daarvoor vooral in de normen van de samenleving: „Ik realiseerde me niet hoe er tegen moeders wordt aangekeken totdat ik er eentje was geworden: toen zag ik het seksisme overal en werd erdoor overvallen.” De Greef zoekt het wat meer bij zichzelf. De oorzaak voor haar overmoed, voor haar overtuiging dat dit voor haar, anders dan voor veel anderen, heus geen levensveranderende stap gaat zijn, noemt ze ‘haar innerlijke seksist’. Ze tekent die als een grofgebekte, sigaar rokende klootzak met haar trekken die al vanaf de puberteit niet van ‘meisjes-meisjes’ houdt, maar liever ‘one of the guys’ is.

Dominante gendernormen

De Greef is een kei in het tot in het absurde doortrekken van haar gedachten: „Wees vooral niet zwanger als een MEISJE. Wees zwanger als EEN MAN”, staat bij een zelfportret waarin ze, zwanger en wel, ‘honk-honk’ in haar borst knijpt, omringd door een walmende barbecue en een truck waarvan het wiel gewisseld moet worden. Met haar voet op een voetbal. Ze loopt zichzelf, eenmaal zwanger, voorbij om maar aan haar eigen verwachtingen te voldoen, door met vrienden mee te gaan naar clubs met haar dikke buik of door op een literair festival voor te lezen over ‘verliefde hoerenlopers’. Naast de pentekening van hoe ze zich voordoet op die momenten, staat in potlood geschetst hoe ze zich eigenlijk voelt: ontredderd, onthutst, ontdaan en onzeker.

Mosselman ervaart hetzelfde, maar verwondert zich met name over de boosheid, soms sluimerend, vaak intens, die ze, met de baby, op wie ze heus dol is, blijkt te hebben gebaard. Het komt door de maatschappij: „De gedachte dat de moeder beter in staat is om voor de kinderen te zorgen zit diep verankerd in ons systeem. Tussen droom en daad staan eeuwenlange dominante gendernormen in de weg.”

Van een baby komt ruzie, over de taakverdeling. En hevig ook, ondanks ‘een strak schema’ en ‘een weekplanning’, ondanks de overtuiging van zowel Mosselman en De Greef als hun mannen dat ze het samen zullen doen, eerlijk verdeeld. De wereld pikt dat niet, stelt Mosselman: „De moeder [is] ‘chef kinderen’”, of ze dat nu wil of niet. „In een ruzie zeg ik tegen mijn vriend dat ik die ‘baan’ niet wil. Dat ik niet de manager wil zijn, want om de een of andere reden heb ik toch die rol gekregen [...]. Ik wil geen boodschappenlijst in mijn hoofd van alles wat er nog gekocht en gedaan moet worden. Het is zo zonde van de ruimte in mijn brein.” De vader wordt naar haar idee bij ‘elke minimale inspanning’ voor het gezin, als een held gezien. De moeder moet zich zonder morren wegcijferen.

Mythen over moederschap

De Greef ervaart iets dergelijks ook, en verbeeldt dit met een tekening van haar man en zij die met verbeten koppen touwtrekken. Tussen hen in hangen aan het touw briefjes met teksten als ‘overwerken,’ ‘wie lost de oppas af?’ en ‘avond uit.’ Bijschrift: „De economie van het huishouden, of: dat moment waarop je je realiseert dat wanneer jij iets alleen wil doen, dit direct effect heeft op de ander.”

Ook geeft zij ruim baan aan de ongevraagde opmerkingen van voorbijgangers op straat, die altijd haar erop aanspreken als de baby geen mutsje draagt of huilt. Ook Mosselman wordt op de vingers getikt, door borst te voeden, of juist niet borst te voeden: moeders zijn in beider beleving aangeschoten wild.

Gelijkwaardigheid tussen man en vrouw wordt bemoeilijkt door ideeën en mythen over moederschap, concluderen ze. Achterstelling en ongelijkheid ten opzichte van de partner, de mede-ouder, zitten ingebakken. Het gaat om aannames en verwachtingen die beiden, tot hun schrik, blijken te hebben geïnternaliseerd.

Beide boeken brengen grondig, nietsontziend, eerlijk de worsteling met, zoals Mosselman schrijft, ‘het donker en het licht’ van het moederschap in beeld. De Greef doet dat behalve in woord ook wondermooi in beeld. Haar figuurtjes, bekend van onder meer dagstrips die voorheen in deze krant stonden, zijn altijd uitgesproken geestig, net als haar uitgesponnen inzichten. Maar uit Mamamorfose blijkt dat zij als tekenaar veel meer kan dan dat, want ze geeft met doordachte donker-en-lichtcontrasten en een heel diverse lijnvoering, van dik aangezet tot schimmig en dun, haar veelheid aan (voor wie een kind heeft herkenbare) stemmingen weer.

Een nieuw evenwicht

Mamamorfose is echt een boek dat elke aanstaande of ‘pasgeboren’ ouder, vrouw of man, alhier behoeft, ter lering, vermaak en voorbereiding. Al die liefde en woede van Mosselman is meer een onderzoek, studie en theorievorming vertrekkend vanuit de persoonlijke ervaring. De grondigheid waarmee Mosselman een en ander uitzoekt, is lovenswaardig.

Gaandeweg, als het kindje groter groeit, ervaren beide auteurs meer rust, een nieuw evenwicht. „Je bent tweeënhalf jaar oud. Je praat en gebruikt volzinnen”, schrijft Mosselman in haar nawoord. „De woorden vullen de afstand die ik soms tot je voelde [...]. Ik ben iemand anders door jou. Ik zou niet zonder jou willen zijn. En de woede? De woede is een waakvlam, ze flikkert in het duister. [...] Ze hoort bij mij.”

De Greef laat de grootste verwarring op een iets andere manier achter zich: „En pas nu durf ik me af te vragen waarom ik zo bang was voor verandering, voor alles wat zacht was – mijn hoofd, mijn lijf, mijn plek in de wereld. Voor mij blijkt het moederschap niet iets wat volautomatisch wordt aangestuurd door mijn reptielenbrein, noch is het een verlichte staat van zijn – het is werk in uitvoering.”