Chris Verhaak (links) en Enny Das pleiten ervoor minder naar de zorg te kijken bij het oplossen van de stijgende vraag naar transgenderzorg. „Moeten we niet veel breder kijken, naar de acceptatie van mensen?”

Foto Bram Petraeus

Interview

Onderzoekers: ‘Transgenderzorg is een taak voor de hele maatschappij, niet alleen voor de genderpoli’

Enny Das en Chris Verhaak De capaciteit voor transgenderzorg is toegenomen, maar de vraag ernaar ook. En dus blijven de wachtlijsten lang. Voor de oplossing daarvan wordt te veel naar de zorg gekeken, zeggen twee onderzoekers.

Begin 2020 hangt bij de hoofdingang van het Radboudumc de regenboogvlag uit. Het Nijmeegse ziekenhuis opent het derde academisch centrum voor transgenderzorg, een genderpoli. De wachtlijsten voor deze zorg zijn inmiddels opgelopen tot bijna twee jaar en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) had ziekenhuizen gevraagd of ze konden bijspringen. Bij de feestelijke opening zijn er cakejes in de kleuren van de transvlag.

Maar nu, twee jaar later, zijn de wachtlijsten allesbehalve geslonken. Iemand die zich aanmeldt bij de genderpoli van het Radboud moet twee tot drie jaar wachten op een intakegesprek met een psycholoog. „Dus in plaats van dat we een probleem aan het oplossen waren, werd dat probleem alleen maar groter”, zegt Chris Verhaak, klinisch psycholoog aan het Radboudumc, terwijl ze haar handen in de lucht gooit.

Ze zit in het kantoor van Enny Das, hoogleraar communicatie en beïnvloeding aan de Radboud Universiteit. Verhaak en Das doen in opdracht van het ministerie onderzoek naar de oorzaak van de stijgende vraag naar transgenderzorg. Die zorg houdt in: psychologische hulp, en eventueel hormoonbehandelingen en operaties. Het onderzoek moet eind dit jaar klaar zijn. Maar nu al moet hen iets van het hart: voor de aanpak van de wachtlijsten wordt te vaak alleen gekeken naar de zorg, vinden zij.

„We krijgen regelmatig de vraag van het ministerie hoeveel capaciteit we hebben en of we niet meer kunnen doen”, zegt Verhaak. Dat geeft haar en haar collega’s een gevoel van „onbehagen”. „Het is niet genoeg om alleen maar een blik psychologen open te trekken, want we begrijpen te weinig waar de stijging vandaan komt.”

Dubbele capaciteit

Het aanbod van transgenderzorg groeide de afgelopen jaren enorm. De capaciteit voor psychologische behandelingen verdubbelde tussen 2019 en 2022 ruim, van 2.220 naar 4.822 plekken. Het aantal plekken voor hormoonbehandelingen vervijfvoudigde zelfs (van 770 naar 3.855).

Maar de vraag stijgt nóg harder. Dat zou kunnen komen doordat de bekendheid en acceptatie van transgender personen is toegenomen en de zorg is verbeterd. Maar of dat echt zo is, is niet bekend. „We weten heel weinig van hoe genderidentiteit zich ontwikkelt”, zegt Verhaak. „Dat is wel bijzonder, want we doen al heel lang behandelingen met die groep.”

Vorig najaar besloot het ministerie van VWS onderzoek te laten doen naar de oorzaak van de toegenomen vraag naar transgenderzorg. Dat wordt uitgevoerd door het Platform Diversiteit in Geslacht en Gender van het Radboudumc en de Radboud Universiteit. Het platform werd tegelijk met de Nijmeegse genderpoli opgericht om vanuit verschillende disciplines onderzoek te doen naar gender en geslacht. Verhaak en Das zijn onderdeel van het team van zo’n tien onderzoekers, van wie sommigen zelf transgender en non-binair zijn.

Uit literatuurstudie kwam al naar voren dat er veel factoren spelen, zegt Das: „Zoals culturele opvattingen, juridische aspecten, discriminatie. Dat staat eigenlijk haaks op het biomedische model, waarbij een individu met een zorgvraag komt die de arts moet oplossen.” Uit een groot Amerikaans bevolkingsonderzoek bleek vorige week dat het aantal mensen dat zich als transgender identificeert flink verschilt per staat, waarschijnlijk door verschillen in sociale acceptatie.

Lees ook: ‘Toen ik uitkwam als transgender, verloor ik iedereen’

Er bestaan zorgen dat jongeren elkaar via sociale media aansteken met hun genderworsteling.

Verhaak: „Ja, de besmettingshypothese. Die wordt ook meegenomen. Daarvan kunnen we alvast zeggen dat het veel kanten heeft: sociale media kunnen ook veel positieve herkenning bieden, en zelfvertrouwen.”

Maar ook transgendergevoelens opwekken?

Verhaak: „Nooit alleen door sociale media. Dat gebeurt altijd in context.”

Das: „In deze discussie wordt een causale conclusie snel getrokken. Je zit drie keer op Instagram en gender is ineens fluïde geworden. Maar dat media mensen een-op-een beïnvloeden, is allang weerlegd. We weten natuurlijk wel dat je herkenning kunt vinden bij gelijkgestemden als je zoekende bent met je identiteit.”

Dit raakt aan de grootste zorg van sommigen dat de vele aanmeldingen voor transgenderzorg voortkomen uit een hype. Kunnen jullie daar eind van het jaar antwoord op geven?

Verhaak: „Daar is het een te complexe vraag voor. Wat ik in de literatuur en in mijn spreekkamer zie, is dat er nu veel meer openheid is over identiteitsvragen.

„Maar het is de vraag of antwoorden in de medische zorg liggen. Bij een belangrijke groep wel, maar bij een andere groep kun je je afvragen of mensen daar op de lange termijn mee geholpen zijn. Of we niet veel breder moeten kijken, naar de acceptatie van mensen vooral.

„Dat wil niet zeggen dat die genderincongruentie niet klopt of is ‘besmet’ door vrienden, nee, die is heel authentiek. Ik worstel zelf weleens met de vraag: als we een ideale maatschappij hebben, waarin we allerlei vormen van genderexpressie accepteren, hoeveel genderzorg hebben we dan nodig?”

Bedoelen jullie dat een deel van de mensen op de wachtlijst van genderpoli’s daar niet horen?

Das: „De zorgvraag is heel duidelijk. Maar het is niet alleen de genderbehandeling die dit vraagstuk oplost. Op scholen moeten kinderen zich veilig voelen, discriminatie moet geadresseerd worden. Als de huisarts zegt dat hij vragen over gender te ingewikkeld vindt, als de maatschappij het genderthema van zich afduwt, dan is het niet gek dat de trechter bij de specialistische centra verstopt raakt.”

Op scholen en in de media is toch juist veel aandacht voor mensen die niet in de hokjes passen?

Verhaak: „Nog niet overal hoor, of alleen met Paarse Vrijdag. Maar wat het effect van die aandacht op de zorg is, weten we nog niet. We weten nog zo weinig.”

Kan je zeggen dat, omdát we zo weinig weten, jongeren misschien te snel behandeld worden?

Verhaak: „Die hele diagnostiek gaat heel zorgvuldig. Maar daar hebben wij in ons team wel discussies over: moeten we snel behandelingen aanbieden of wachten, wat ze nu bijvoorbeeld in Engeland doen, omdat ze bang zijn dat kinderen spijt krijgen?”

Eind 2020 oordeelde een Britse rechter dat jongeren onder de zestien jaar geen puberteitsremmers meer mogen krijgen, omdat ze de gevolgen ervan niet zouden kunnen overzien. Een studie van het Amsterdam UMC concludeerde vorig najaar overigens dat jongeren dat wel degelijk kunnen.

In Engeland en Zweden zeggen ze: er is weinig bekend, dus laten we jongeren voorlopig niet behandelen. Dat zeggen jullie niet?

Verhaak: „Je moet de zorg goed monitoren en buiten de specialistische centra moeten kinderen goed opgevangen worden. Het kán niet zo zijn dat kinderen met complexe problematiek jaren moeten wachten. Dat is onacceptabel.”

Verhaak merkt dat buiten de specialistische centra nog veel „handelingsverlegenheid” is. „Collega’s in de ggz weten niet hoe ze met de gendervraag om moeten gaan. Maar in een tijd dat zo veel mensen worstelen met hun gender móét dat onderdeel zijn van de expertise van alle gz-psychologen.

„Veel van de jongeren die zich bij onze genderpoli aanmelden, zeker de helft, heeft forse andere problematiek. Problemen thuis, autisme, trauma. De gendervragen worden geïsoleerd naar ons gestuurd. Maar die moet je eigenlijk zien in de context met andere vragen. Als een kind geen aansluiting kan vinden, kan dat een stukje komen door autisme, een stukje door een moeilijke thuissituatie en ook een stukje door gender. Als je dat geïntegreerd kan behandelen, hoef je dat niet neer te leggen bij gespecialiseerde centra.”

Hoe kan het dat de helft van de jongeren bij de genderpoli ook andere problemen heeft?

Verhaak: „Dat weten we niet. Daar zijn wel hypotheses over. Dat je je niet thuisvoelt in je lichaam kan gedragsproblemen veroorzaken. Of: kinderen met autisme vinden het lastig om te gaan met een lichaam dat in de puberteit komt. Dat wil niet zeggen dat je het genderprobleem ontkent, maar dat je het in de context moet zien.”

Het aantal geboren meisjes dat zich aanmeldt bij de genderpoli is de laatste jaren veel hoger dan het aantal geboren jongens. Gaan jullie dat ook onderzoeken?

Verhaak: „Dat nemen we mee, maar we hebben weinig ideeën over hoe dat komt. Bij ons op de poli is ook driekwart geboren meisje. Zij zijn ook vaker zoekend. Misschien dat voor meisjes aan het begin van de puberteit die genderrol wat dwingender voelt dan voor jongens.”

Vraagt u zich als zorgverlener weleens af of u het goede doet?

Verhaak: „Dat vraag ik me weleens af, ja.”

En wat is daarop het antwoord?

Verhaak: „Bij een groep kinderen is het heel duidelijk. Maar bij een andere groep zit het er een beetje tussenin. Je doet nogal wat als je de puberteit gaat remmen. Dan vraag je je toch wel af: is dit de beste keuze voor dit kind op dit moment? Dat is het onbehagen dat ik als behandelaar voel: we weten het gewoon niet, maar we moeten wel handelen.”

Je kunt toch ook niet handelen?

Verhaak: „Ook als je niet handelt doe je wat: dan krijgt een trans meisje de baard in de keel, of een trans jongen borsten. Dat heeft een negatieve impact.”

Wat heeft u dan nodig als zorgverlener?

Verhaak: „Meer onderzoek. Naar de korte- en langetermijneffecten van behandelingen. Naar de verschillende manieren van genderexpressie en hoe jongeren daar in verschillende leeftijdscategorieën mee omgaan.

Das: „Dat zou ik willen koppelen aan maatschappelijke factoren: gezinsleven, socialemediagebruik. Dat je zo’n groep lange tijd kan volgen.”

Is het wel te onderzoeken? Er zijn zó veel factoren.

Verhaak: „Dat is het lastige met identiteitsontwikkeling. Dat is een proces van tientallen jaren, en tegen die tijd is de zorg weer helemaal veranderd. Uiteindelijk vind je de waarheid niet.”

Lees ook: Gender bevestigd: hoe verschijning en identiteit overeen kunnen komen

Dus aan het eind van het jaar ligt er een onderzoek met de boodschap: het is een complex verhaal.

Das: „We zijn als samenleving heel weinig tolerant naar complexiteit en onzekerheid. We willen een simpele oplossing voor het gendervraagstuk, maar dat doet veel mensen tekort. We zetten vaak die medische bril op. Bij Covid? Meer bedden op de IC! Wachtlijst? Meer artsen erbij!

„Complexiteit is misschien een minder aantrekkelijk verhaal, maar dat is wel waar ik in geloof. Het verkopen van goedkope, eendimensionale waarheden, ik hoop dat we die fase in het transgenderdebat wel zo’n beetje voorbij zijn.”