Publieksfilosoof Marli Huijer ageert tegen ons ‘manisch verlangen naar overleving’

Op deze plek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Deze week De toekomst van het sterven van Marli Huijer. Haar aanmatigende toon overschaduwt de boodschap van het boek.

Een filosoof hoort ongemakkelijke onderwerpen aan te snijden. Dus dat Marli Huijer in De toekomst van het sterven oproept om niet koste wat kost een lang leven na te jagen, omdat we daarmee de zorg en de economie en de aarde zouden overbelasten, is het punt niet. Ze vraagt om meer waardering voor lijden en sterven, pleit voor meer omgang tussen de generaties en spreekt zich uit tegen de medicalisering van de oude dag, allemaal terecht. En toch krijgt ze me niet mee.

Huijer (1955), emeritus hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en oud-Denker des Vaderlands, waarschuwde vanaf het begin van de coronacrisis voor al te rigoureuze maatregelen; de wens om mensen te behoeden voor ziekte en dood moet altijd worden afgewogen tegen de sociale prijs die daaraan verbonden is. Ze heeft grotendeels gelijk gekregen: voordat de scholen weer sluiten, laat staan de verpleeghuizen, moet er heel wat gebeuren. In De toekomst van het sterven werkt Huijer haar ideeën, die ze vooral in interviews naar voren had gebracht, verder uit.

Het boek leest als een tirade tegen ouderen die „eindeloos aan het leven blijven hangen”. Aldoor gaat het over ons „manische verlangen naar overleving”, onze „zucht om langer te leven”, over „rupsjes nooitgenoeg” voor wie het „onverteerbaar” is wanneer ze niet de honderd dreigen te halen. Huijer gaat voorbij aan alle redenen die oudere mensen kunnen hebben om (nog) niet te willen sterven, zoals angst voor de dood, zorg om kinderen of gewoon: levenslust.

Ik moest steeds denken aan De ballade van Narayama, een Japanse film die ik ooit zag waarin ouderen op hun zeventigste naar de bergen worden gebracht om van kou en honger te sterven. De scène waarin het hoofdpersonage, een nog gezonde 69-jarige, haar gave tanden stukslaat op een rots, schokte me zo dat ik ’m veertig jaar later nog haarscherp voor me zie.

Huijer wil ons laten nadenken over het juiste moment om afscheid te nemen van het leven

Als Huijer beweert dat „het overgrote deel van de bevolking zich verre houdt van de aftakeling, het lijden en het sterven”, denk ik: en die vijf miljoen mantelzorgers dan? De media proberen nog wat te doen aan die „onzichtbaarheid” van het sterven door interviews te publiceren met mensen aan het eind van hun leven, zegt ze, maar wat zij beschrijven lijkt „in de verste verte niet op de sterfbedden waar ik bij aanwezig was”. Wat ‘haar’ sterfbedden zo veel echter of authentieker maakt, blijft onduidelijk.

Huijer wil ons laten nadenken over het juiste moment om afscheid te nemen van het leven, maar haar aanmatigende toon overschaduwt die boodschap. Een voorbeeld van het in haar ogen doorgeslagen „risicodenken” vindt ze de AED’s (automatische externe defibrillator) in het publieke domein. Alsof die niet óók een vroegtijdige dood voorkomen van jongere mensen die nog decennia een goed leven kunnen hebben.

Opeens miste ik René Gude, Huijers voorganger als Denker des Vaderlands. Hij vertelde over zijn eigen ongeneeslijke kanker met wijsheid en humor („sterven is doodeenvoudig, iedereen kan het”). Dé manier om dood en sterfelijkheid verteerbaar te maken.

Reacties: boeken@nrc.nl