Flitsbezorgers ‘disruptive’? Het bestond allemaal al, zien we in ‘Andere Tijden’

ZAP De wetenschappers die in Tegenlicht de toekomst voorspelden, weten: óók als het niet moet, verplaatsen we ons. Andere Tijden Special toonde beelden van toen er nog een rijwielindustrie was.

Vier Friese schooljongens fietsen elke dag clandestien langs de spoorlijn naar school, omdat het vier kilometer korter is.
Vier Friese schooljongens fietsen elke dag clandestien langs de spoorlijn naar school, omdat het vier kilometer korter is. Foto NTR

Iedereen besteedt een uur per dag aan van A naar B gaan en weer terug. De constante van Marchetti heet het fenomeen: al sinds het Neolithicum (de steentijd, 11.000 voor Christus) zijn we gemiddeld een uur onderweg, of het nou lopend, te paard of met de auto is. De auto brengt ons sneller verder, dat wel. Maar wat doen wij: ons leven afstemmen op het vervoermiddel. Verder van ons werk wonen, andere bestemmingen en bezoekjes bedenken. De wetenschappers die maandagavond in Tegenlicht de toekomst voorspelden over mobiliteit, voegden daar een inzicht aan toe: óók als het niet moet, verplaatsen we ons. „Al breng je het eten naar mensen toe en kunnen ze thuiswerken, ze gaan plezierritjes maken.” Een uur onnodige verplaatsing, omdat we mobiel willen zijn.

Volgend inzicht van de wetenschappers, wat eigenlijk tenhemelschreiend is: in dorp en stad is de fiets het meest duurzame vervoermiddel, het beste voor het klimaat ook, en vergeet de gezondheid niet. Tegenlicht fietst mee met André Botermans, fietsambassadeur te Houten. Op zijn houten fiets door de nieuwe woonwijken die cycle oriented zijn gebouwd . Onderweg: nul auto’s. Voor de deur: nul parkeerplaatsen. De huizen staan met de voordeur naar de (fiets)weg. Zodat, tromgeroffel, de kinderen op straat kunnen spelen. Nergens ter wereld, zegt de fietsambassadeur, bestaat er een stad zoals Houten.

Er wordt getoeterd, verongelukt

Straks meer over mobiliteit bij Tegenlicht. Eerst even overschakelen naar de Andere Tijden Special, maandag op het andere net, met beelden van toen heel Nederland was zoals Houten. Toen er nog een rijwielindustrie was (tachtig fietsfabrieken), de fiets nog het meest gestolen voorwerp was en de fiets werd gebruikt om mee naar school, werk en op vakantie te gaan. Straatbeeld van het spitsuur in Groningen: handkarren, tram, paard en wagen en fietsen, heel veel fietsen. Met daarop kantoorklerken, keurige dames, kinderen, en verder iedereen die iets te vervoeren had: brood, vis, vuilnis, bloemen, boodschappen. Hoezo zijn flitsbezorgers disruptive, het bestond allemaal al.

En toen kwam de auto. Ook dat zie je bij Andere Tijden. Zo vanaf de jaren zestig, zeventig, slalommen de fietsers door het verkeer, er wordt getoeterd en verongelukt. Zo komen we terug in het Houten van Tegenlicht, maar dan in de oude kern van het dorp waar een lint aan auto’s doorheen slingert en het plein vol staat met parkeerders. Dit, zegt de fietsambassadeur, is „het oude dorp, de oude wereld, de autowereld”.

Tegenlicht wil van de wetenschappers weten hoe we in de toekomst afstanden afleggen van meer dan twintig, dertig kilometer. Dat is een no brainer: met de elektrische auto. Grote fabrieken zijn bezig betere batterijen te maken, die langer meegaan en minder kosten. In zelfrijdende auto’s hebben ze weinig fiducie, maar slim worden ze wel: „De auto kan het rijden overnemen als we in de file staan.” Want files, denken zij, worden érger. Gelukkig kan de bestuurder ondertussen lezen of werken. Iedereen in z’n zelfrijdende coupeetje, noemde je zoiets niet trein?

En wat vervoert ons straks over middellange afstanden? Drones, hyperloops, hoge snelheidstreinen? De wetenschappers zetten hun geld in op elektrische vliegtuigen. Maar die kunnen niet verder dan 500 kilometer. Je kunt wel minder willen vliegen, zeggen de wetenschappers, maar dat gaat niet gebeuren. Dus moeten we schoner vliegen. Door zelf kerosine te maken, de CO2-uitstoot van de vliegtuigen uit de lucht te zuiveren, door zelf het klimaat te reguleren. Daartoe zijn gigantische brandstoffabrieken nodig, maar in de woestijnen van Chili of Namibië is plek zat. Gaat lukken. „We kunnen nu toch ook een miljard auto’s per jaar bouwen?” De mens staat voor niets.

Correctie: In een eerdere versie van deze column stond dat het Neolithicum 1100 jaar voor Christus begon. Dat moest 11.000 jaar zijn en is hierboven aangepast.