Recensie

Recensie Film

Hollywoods legendarische kibbelkoppel

Truly, Madly Acteurs Laurence Olivier en Vivien Leigh waren drieëntwintig jaar samen, maar gelukkig was het beroemdste filmkoppel zelden.

Filmkoppel Olivier en Leigh in Fire Over England, een film uit 1937. Foto United Archives / Getty Images
Filmkoppel Olivier en Leigh in Fire Over England, een film uit 1937.

Foto United Archives / Getty Images

‘Ik hou van je en adoreer je met mijn hele wezen zoals je weet o je weet het […] maar de primaire reflexen laten zich simpelweg niet bedwingen…” Hier moet wel een acteur aan het woord zijn. Laurence Olivier (1907-1989) kon er wat van. Zo hevig als hij verlangde naar zijn clandestiene, nog met een ander getrouwde minnares Vivien Leigh (1913-1967), zo onverzadigbaar was ook zijn behoefte aan ander vrouwelijk schoon. En Leigh deed niet voor hem onder: ook zij smachtte chronisch naar aandacht en erkenning.

Het bracht ze ver: tijdens hun gloriejaren waren ‘de Oliviers’ het beroemdste koppel van de toneel- en de filmwereld. Hij geldt als de belangrijkste Shakespeare-vertolker van de twintigste eeuw, zij staat in het collectieve filmgeheugen gegrift dankzij haar met Oscars bekroonde spel in Gone with the Wind (1939) en A Streetcar Named Desire(1951). Ze waren drieëntwintig jaar samen, waarvan twintig getrouwd, maar gelukkig waren ze zelden. Onderlinge jaloezie en competitiedrift leidde tot explosieve ruzies; Leigh raakte bovendien in de greep van manische episoden die nu als een bipolaire stoornis zouden worden geduid.

Auteur Stephen Galloway voegt met Truly, Madly een nieuwe titel toe aan de planken die er al over de Oliviers zijn volgeschreven, en zijn journalistieke achtergrond als redacteur van The Hollywood Reporter komt daarbij goed van pas: het boek leest als een trein, of liever, als een achtbaan. Galloway kent de machinaties en de manipulaties van ‘Tinseltown’ op zijn duimpje en plaatst zijn über-gecultiveerde, trotse en gevoelige hoofdpersonen daar met groot plezier middenin.

Heerlijke beschrijvingen van het leven op de filmset staan vol veelzeggende details: Clark Gable’s trailer op de set van Gone With the Wind bijvoorbeeld was een soort ‘houten jagershut’ met een roodleren fauteuil en twee forse koperen asbakken. Gable was een onversneden macho, een man van actie en lompe grappen – zijn nieuwe speeltje was een pistool met een schacht in penisvorm – voor wie Vivien Leigh meteen diepe minachting voelde, zeker toen hij haar geliefde regisseur George Cukor („die nicht”, aldus Gable) liet vervangen. De setfoto’s waarop Gable en Leigh knus zitten te kaarten waren pure schijn. Voor een ster onder contract hield het acteren nooit op.

Maar Galloway’s ambitie reikt verder dan dit soort historische verslaggeving, hoe onderhoudend ook. In zijn dankwoord noemt hij allereerst de dokters en psychiaters die hij heeft geraadpleegd om Leigh’s manische gedrag te kunnen toetsen aan de huidige, snel toegenomen kennis over geestesziekten. Soms citeert hij zo’n dokter, die Leigh’s grillen dan netjes in het patroon van een bipolaire stoornis plaatst. De achterliggende gedachte lijkt te zijn dat Leigh met de huidige mogelijkheden van medicatie en therapie beter af geweest was; toch blijft dat de vraag.

Het verkeerde beroep

Om te beginnen had ze daarvoor het verkeerde beroep gekozen. Het acteursbestaan is van zichzelf al onvoorspelbaar en emotioneel geladen, en daar kwamen de losse mores van het Londense West End en vooral de erbarmelijke arbeidsomstandigheden in het Hollywood uit de gloriejaren van de grote studio’s nog eens bij. De opnames van Gone With the Wind lezen als zo’n mensonterende uitputtingsslag dat ook een ‘Scarlett’-vertolkster met een stabieler geestesleven er een klap van zou hebben gekregen. Vervangend regisseur Victor Fleming liep rond met zelfmoordgedachten en moest na een zenuwinzinking het werk twee weken onderbreken om bij te komen.

Leigh’s tweede grote triomf, de rol van Blanche in A Streetcar Named Desire, was achteraf bezien misschien een te gevaarlijke flirt met het duister: „[Blanche] tipped me into madness”, zei ze later zelf. Maar zodra ze het nieuwe stuk van Tennessee Williams had gelezen wist ze óók dat ze voor de rol gemaakt was. Ze knokte en flirtte en lobbyde tot ze Blanche had veroverd, eerst op het podium in Londen onder regie van Olivier, daarna in de adembenemende filmversie van regisseur Elia Kazan (1951). Het leverde haar een tweede Oscar op. Had iemand haar kunnen tegenhouden?

Ze was stronteigenwijs, ook wat haar eigen gezondheid betreft. In mei 1967 speelde haar jaren eerder opgelopen tuberculose gevaarlijk op; Leigh sloeg elk doktersadvies in de wind, weigerde ziekenhuisopname of medicijnen en organiseerde in plaats daarvan repetities voor het nieuwe stuk van Edward Albee in haar met bossen bloemen overladen appartement. Het leven moest en zou een feestje blijven; rond haar ziekbed werd volop gerookt. Twee maanden later overleed ze. Ze werd 53.

Romance van de eeuw

Een tweede element dat indruist tegen Galloway’s poging om iets van logica aan te brengen in deze „romance van de eeuw” is Leigh’s formidabele tegenspeler, Olivier – ‘Larry’ voor intimi. Een groots acteur, zonder twijfel – wie te jong is om hem van naam en reputatie te kennen zou kunnen beginnen met zijn rol als sadistische tandarts in Marathon Man (1976) – maar ook een ‘ham’, zoals de Britten dat zo mooi noemen. Iemand die zijn megalomane gevoelsleven ook buiten werkuren graag etaleerde.

Olivier was gul en charmant, maar ook arrogant, nukkig en jaloers; vol van hoofse liefdesidealen en religieus schuldbesef, maar ook een flirt en een rokkenjager. Mensen wisten vaak niet goed wie ze voor zich hadden, zijn rollen leken waarachtiger dan de man zelf. Dat hij zijn lot uitgerekend aan Leigh verbond zegt meer over hem dan Galloway hier weet te ontrafelen. ‘Passie’, een ‘vuurbal’, of zelfs een ‘ziekte’ of ‘virus’ (Oliviers eigen termen) zijn prachtig dramatische verklaringen, maar ze kunnen het gebrek aan diepere karakterstudie niet verhullen.

Sarah Churchwell’s The Many Lives of Marilyn Monroe (2004) is een mooi voorbeeld van hoe je door zorgvuldige tekstanalyse uiteindelijk tot een completer mensbeeld van een ster uit vervlogen tijden kunt komen. Marilyn’s imago van verwarde junkie is vergelijkbaar met dat van Leigh als patiënt, en beiden krijgen vaak het stempel ‘nymfomaan’ opgeplakt – terwijl de seksuele escapades van hun mannelijke tijdgenoten als normaal worden beschouwd. Over beide vrouwen is het laatste woord nog niet gezegd.

In een van de spannendste passages van Truly, Madly kruisen ze kortstondig en noodlottig elkaars pad. In de zomer van 1956 landde Monroe met haar derde echtgenoot Arthur Miller in Londen voor de opnamen van The Prince and the Showgirl, een vederlicht script naar een toneelstuk waarmee de Oliviers eerder op het podium hadden gestaan, als tussendoortje in een seizoen vol Shakespeare-vertolkingen. Olivier werd alom geprezen voor zijn interpretatie van Macbeth, terwijl Leigh als Lady Macbeth weer in de recensies had moeten lezen hoe wankel haar eigen spel was. Thuis vocht het koppel elkaar de tent uit; een vriend noemde hun verbond een ‘duivelspact’.

De komst van Monroe zorgde voor enorme opwinding bij pers en publiek en Olivier verheugde zich al op een vette filmhit, maar eenmaal op de set verzuurde de sfeer snel. Monroe was een beruchte laatkomer, die haar teksten vergat en zich nauwelijks liet regisseren. Olivier werd er driftig van en bejegende haar als een dom kind, waarop zij alleen nog maar langer wegbleef. Leigh stond langs de zijlijn en huilde van frustratie toen ze zag hoe de negenentwintigjarige Amerikaanse straalde op het doek, terwijl zijzelf op haar drieënveertigste als ‘oud’ gold.

Galloway stipt het allemaal aan, staaft het met klinkende citaten en zoeft dan weer verder. Er is nog meer te vertellen. Zo schrijft men een pageturner.