‘Grotten zijn de wortels van de hemel’

Michelangelo Frammartino De regisseur leefde twee etmalen lang in een grot op Sicilië voor zijn film ‘Il buco’: „Een totaal desoriënterende ervaring.”

Een blik vanuit ‘het gat’, Il Buco. Foto Imagine Filmdistributie Nederland
Een blik vanuit ‘het gat’, Il Buco. Foto Imagine Filmdistributie Nederland

Het is dat Werner Herzog zijn spectaculaire 3D-film over de grotten van Chauvet al Cave of Forgotten Dreams heeft genoemd, want het was de perfecte titel geweest voor de nieuwe film van de Italiaanse regisseur Michelangelo Frammartino. Diens derde speelfilm heet nu simpelweg Il buco – het gat.

Want dat was wat hij aantrof, toen hij zo’n tien jaar geleden door de burgemeester van Alessandria del Carretto in Calabrië, die tevens speleoloog is, werd meegenomen naar de nabije Abisso del Bifurto, een 700 meter diepe verticale grot in het Pollino-gebergte. Een onooglijk gat in de grond. Althans als je het van buiten bekijkt. Een fenomenaal shot aan het begin van de film laat ons vanuit de grot van binnen naar buiten de hemel inkijken. Het is het geboortekanaal van de film. Als toeschouwer denk je even dat je zweeft. En misschien zijn dat voor Frammartino wel de vergeten dromen waar hij zijn films over maakt.

Mytisch landschap

Frammartino (1968) was destijds locaties aan het scouten, vertelt hij in een videogesprek, voor wat waarschijnlijk zijn bekendste film is, de arthouselievelingLe quattro volte (2010). De in Milaan geboren filmmaker keert voor bijna al zijn films terug naar de geboortegrond van zijn ouders, en filmt daar bescheiden verhalen in een ontzagwekkend soms bijna mythisch aandoend landschap. Het zijn altijd films die over het grote en het kleine tegelijkertijd gaan. Le quattro volte richt zijn oog op het leven van een geitenherder, maar is geïnspireerd op de theorie van de mysticus-wiskundige Pythagoras die zei dat ieder mens vier levens in zich heeft: een dierlijk, een menselijk, een plantaardig en een mineraal. Het was slow cinema op z’n best. Als je maar lang genoeg naar het leven van alledag kijkt, dan toont dat zich vanzelf in al z’n poëzie, tragiek en absurditeit. Vooral voor dat laatste heeft Frammartino een oog. Het is hetzelfde soort droge humor die we ook in Il buco terugzien, als er tijdens een potje voetbal een bal heen en weer vliegt over dat gat in de grond.

Die Bifurto-grot liet hem namelijk niet meer los. Een paar jaar voor zijn geboorte was een groep avontuurlijke holenonderzoekers voor het eerst helemaal tot op de bodem afgedaald om hem in kaart te brengen. Kon hij die expeditie op een of andere manier filmisch vertalen? Het werd zijn eerste ‘kostuumfilm’: hij reconstrueerde de wereld van de jaren zestig en koppelde de expeditie van de jonge speleologen aan het leven van de herders en boeren in Calabrië, terwijl filmfragmenten doorkijkjes geven naar een wereld daarbuiten. Parallel daaraan vertelt de film ook het verhaal van een oude schapenherder die wegglijdt in de laatste dagen van zijn leven: „Misschien is het ook allemaal wel zijn droom, of zijn stervensvisioen, dat laat ik aan jou over. De film navigeert tussen het zichtbare en het onzichtbare, tussen het bekende en het onbekende, tussen de bergen en de grotten. Speleologen noemen onderaardse grotten wel ‘de wortels van de hemel’, net als bij bomen waarvan de wortels onder de grond zich net zo ver uitstrekken als hun takken in de lucht. En er zijn nog andere parallellen: grottenstelsels met hun vertakkingen lijken ook op het zenuwstelsel van de mens.”

Het was zwart

Ter voorbereiding op de mentale en fysieke uitdagingen van het filmen onder de grond bracht hij drie dagen en twee nachten door in een grot in Sicilië. Frammartino: „Een kilometer onder de bergen en een totaal doolhof. In zo’n grot is het eeuwigdurend nacht. Het is altijd en overal donker. Toen ik de eerste nacht ging slapen waren er overal lichtjes van de hoofdlampen en geluid van de stemmen van de andere grotonderzoekers. Midden in de nacht werd ik wakker. Ik deed mijn ogen open, maar er was niets. Het was zwart. Keer op keer deed ik mijn ogen open en dicht, maar het maakte geen verschil. Ik kreeg iets wat nog het meeste op een paniekaanval leek. Het was totaal desoriënterend. Er was geen verschil meer tussen mijn lichaam en de ruimte er omheen.”

Beelden uit Abisso del Bifurto

Frammartino is sindsdien een fanatiek amateur-speleoloog, al liet die eerste existentiële ervaring hem niet meer los. Per toeval ontdekte hij het eind jaren veertig gepubliceerde boek Le mystere de la mémoire dat de Franse geoloog François Ellenberger schreef tijdens de vijf jaar die hij als krijgsgevangene in een Duits concentratiekamp doorbracht. „Ellenberger beschouwt hierin zijn eigen innerlijke leven en herinneringen op dezelfde manier als waarop hij als wetenschapper de aarde bestudeerde. Ik ben steeds op zoek naar dat soort metaforische verbindingen tussen ogenschijnlijke tegenstellingen.”

Zo opent de film met oude journaalbeelden van de Pirelli-toren die in 1961 in Milaan werd gebouwd: „Terwijl aan de ene kant van Italië de hoogste wolkenkrabber tot dan toe werd gebouwd, daalden aan de andere mensen af in de diepste diepten van de aarde.” De jaren zestig waren in niet alleen in Italië een periode van grote economische groei en welvaart, vertelt Frammartino: „Iedereen keek omhoog. Dat verticale denken was een uiting van het optimisme van die dagen. 1961 was een cruciaal jaar. Behalve de bouw van de Pirelli-toren, was het ook het jaar waarin alpinist Walter Bonatti een poging deed om de hoogste top van de Mont Blanc te bereiken en waarin Sovjet-kosmonaut Yuri Gagarin de ruimte inging en in een baan om de aarde vloog. Je zou kunnen zeggen dat mijn film daarom de andere kant opgaat.”

Film is natuurlijk de kunst van het licht, maar Il buco (die zich overigens niet alleen onder de grond afspeelt, en daardoor altijd ruimtelijk blijft voelen) is ook een film die visueel een andere kant opgaat. „De duisternis, het echte zwart was de grootste uitdaging. Voor cameramensen is zwart hun grootste angst, omdat je het nooit goed krijgt. Als het filmbeeld zwart is, zeker in de tijden van analoge cinema, dan was er een fout gemaakt. Hoe maak je nu iets zichtbaar in het zwart? We hebben eindeloos geëxperimenteerd en uiteindelijk alleen met het licht van de hoofdlampen van de speleologen gefilmd. Net als de speleologen op zoek gingen naar het onbekende, en moesten ontdekken dat ze altijd iets bekends tegen kwamen, wat zichtbaar werd als ze daar met hun licht op schenen, zo gingen wij ook op zoek naar dat wat je niet kan zien, het onzichtbare. We wilden het onmogelijke zichtbaar maken. Zwart is de final frontier van de cinema.”