Reportage

De Marokkaanse huishoudsters die opgesloten zitten in een Spaanse exclave

Grensarbeiders Door de pandemie en een diplomatiek conflict zitten Marokkaanse huishoudsters vast in de Spaanse exclave Ceuta. Sommigen hebben al twee jaar hun gezin niet gezien.

Bij de stichting Digmun in Ceuta volgen Marokkaanse grensarbeiders Spaanse les.
Bij de stichting Digmun in Ceuta volgen Marokkaanse grensarbeiders Spaanse les. Foto Javier Fergo

In het centrum van de Spaanse exclave Ceuta is niets te merken van de illegaliteit en armoede waar de vele migranten in leven. De terrasjes zitten vol, de winkelstraat bruist. Maar nog geen twee kilometer verderop, op de Avenida de Madrid, zijn de eerste tekenen van uitzichtloosheid merkbaar.

Door de diplomatieke ruzie tussen Spanje en Marokko en de pandemie zat de Marokkaanse grens bij de Spaanse exclaves Ceuta en Melilla de afgelopen twee jaar potdicht. Honderden grensarbeiders die economisch afhankelijk zijn van het werk in Ceuta stonden voor een moeilijke keuze: teruggaan naar Marokko om bij hun gezin te blijven of in Ceuta hun baan behouden. Velen kozen voor het laatste, omdat het schoonmaken van huizen en verzorgen van ouderen de enige manier van levensonderhoud was voor de Marokkaanse gezinnen.

In de wijk rond de Avenida de Madrid staan hoge, vervallen flats. Ieder balkon is voorzien van een verroeste televisieschotel. Aan de rand van de wijk, naast een supermarkt waar de nationalistische vlag van de Spaanse oud-dictator Franco wappert – ook rood met geel, maar met de adelaar van Sint Jan op de plaats van het wapen van Spanje – zit op de onderste verdieping van een grijs flatgebouw een klaslokaal van stichting Digmun. Hier krijgen Marokkaanse grensarbeiders taalles. „Het is een manier om ze te helpen, zodat ze zichzelf wegwijs kunnen maken”, zegt de dertigjarige Melody Gallardo García de la Torre. Ze is geboren en opgegroeid in Ceuta, tussen de arbeidsmigranten, en doceert nu elke middag als vrijwilliger de Spaanse taal. „Het is het minste wat ik kan doen. De situatie is schrijnend, want de vrouwen hebben hier geen rechten”, zucht ze, terwijl ze over haar getatoeëerde arm wrijft.

Werkvisum

Voordat de grenzen waren gesloten, konden de Marokkaanse vrouwen op en neer reizen met een werkvisum. Met dat visum konden ze ’s ochtends de exclaves in, hun werk verrichten en voor middernacht weer terugkeren naar Marokko. Inmiddels zijn de werkvisa ongeldig, zijn veel paspoorten verlopen en moeten er dus nieuwe aanvragen worden ingediend.

De Spaanse overheid heeft de diplomatieke banden met Marokko weliswaar hersteld, maar de procedure om een visum te krijgen is moeilijker geworden. De twee buurlanden zijn nog aan het onderhandelen over het verder heropenen van de grenzen.

Wie nu terugreist naar Marokko moet daar blijven en allerlei documenten, zoals een arbeidscontract, paspoorten en een tijdelijke Spaanse identiteitskaart (TIE), opsturen naar de Spaanse immigratiedienst in Ceuta. Vervolgens moeten de arbeiders bij het Spaanse consulaat in Marokko een eendagsvisum aanvragen, opdat ze in Ceuta hun vingerafdrukken bij het immigratiebureau kunnen laten afnemen. Dit proces kan maanden duren en is geen garantie dat het werkvisum ook daadwerkelijk wordt afgegeven. Daarom kiezen veel vrouwen ervoor om illegaal in Ceuta te blijven en hun geld zwart te verdienen.

Huishoudelijke klussen

„Het is een hel”, zegt de 55-jarige Hafida [achternamen zijn bij de redactie bekend, red.], terwijl ze puffend van de extreme hitte plaatsneemt in het lokaal, voor de taalklas van 19.00 uur. Samen met haar klasgenoten neemt ze plaats aan een van de drie bruine tafels. De lila-witte muren vloeken met de groene plastic stoelen. Hafida, afkomstig uit de noordelijke kuststad Al Hoceima, werkt net als de meeste vrouwen uit haar klas bij een Spaans gezin thuis, waar ze huishoudelijke klussen doet. Vaak wonen ze ook in bij hun Spaanse bazen, omdat je voor een eigen woning een werkcontract nodig hebt – en dat hebben ze niet. Volgens cijfers van de vakbond voor grensarbeiders UMT gaat het om zo’n 3.500 arbeiders in Ceuta en 5.000 in Melilla.

Lees ook: Zwerfkinderen in Ceuta geven hun Europese droom niet zomaar op

Hafida wijst naar een vrouw naast zich, in het groen gekleed met een crèmekleurige hoofddoek. Ze zit voorovergebogen over haar schriftje. „Zij heeft haar kinderen en echtgenoot al bijna drie jaar niet gezien.” De vrouw, Houriya, kijkt op en zucht. „Het is alsof je op een snelweg rijdt en de handrem het niet meer doet. Net een achtbaan, maar alhamdoulilah, we hebben geduld”, zegt ze met een droevige blik, maar krachtige toon. Zij onderhoudt het gezin. De gedachte dat haar kinderen te eten hebben houdt haar overeind.

Haar situatie is niet uniek. Een deel van de leerlingen komt uit Fnideq (in het Spaans Castillegos genoemd), een stad die grenst aan Ceuta en op nog geen twintig minuten rijden van het klaslokaal ligt. Steden als Fnideq zijn economisch afhankelijk van de vrouwen die in Spaanse gezinnen werken.

„Mensenrechten? Dat bestaat alleen op televisie, niet in het echte leven”, zegt Houriya cynisch. „Het kan niemand wat schelen hoe wij eraan toe zijn. In Europa niet en in Marokko niet.”

Mijn baas dwong me om een stuk jamón te eten. Het was vernederend

Omaima (19) Grensarbeider

De andere vrouwen in de klas mengen zich in het gesprek en delen hun verhalen over het illegale bestaan in Ceuta. „Ik werd vorig jaar hartstikke ziek. Mijn been was opgezwollen en ik kon het niet meer bewegen. Bij de eerste hulp zeiden ze dat ze me niet wilden helpen, omdat ik geen papieren heb. Ik ben toen naar huis gegaan, creperend van de pijn”, zegt Fatima.

„Mijn baas weet dat ik moslim ben en geen jamón eet. Toen zijn vrienden gisteren op bezoek waren, had ik een bord tapas klaargemaakt en naar hen toe gebracht. Hij dwong me om in het bijzijn van zijn vrienden een stuk te eten. Het was vernederend”, zegt de negentienjarige Omaima. „Wat een eikel!”, roept Hafida.

Dossiermappen in de kast bij stichting Digmun, die grensarbeiders in Ceuta bijstaat. Foto Javier Fergo

Zwart gat

De situatie waarin haar leerlingen zich bevinden vindt Gallardo het zwaarst aan haar werk. „Het is niet eerlijk. Ze zitten hier opgesloten, werken hard, maar hebben geen vooruitzicht. Dat doet pijn.” En de overheid? Daar hoef je niet op te rekenen, volgens Gallardo. „Ze helpen ons niet. Nada. Helemaal niets. We zijn op onszelf aangewezen. Alles is vrijwillig.” De autoriteiten in Ceuta wilden niet reageren op vragen van NRC.

Het openhouden van de stichting wordt financieel steeds moeilijker. „Als we ophouden te bestaan, dan komen deze vrouwen in een zwart gat terecht. Het is niet alleen taalles, maar ook een veilige plek voor ze om hun ongenoegen te ventileren en steun te vinden bij elkaar”, zegt Gallardo.

Ceuta is „net een gevangenis”, lacht een van de vrouwen, gekleed in een felgele jurk. „Wat zeg jij? Het ís een gevangenis. We kunnen geen kant op”, roept Nora, een jonge vrouw die tegenover haar zit.

Ondanks de zware omstandigheden waar de grensarbeiders onder leven, is terugkeer naar Marokko geen optie. „Terug waarheen? Naar honger? Hier leef ik in de illegaliteit met nul rechten, maar ik kan tenminste geld verdienen, eten en mijn familie helpen. In Marokko is het overleven”, zegt Hafida met haar glinsterende blauwe ogen. De andere vrouwen knikken instemmend.

De les zit er voor vandaag op. Houriya en Omaima snellen als eerste naar de deur. Ze moeten het avondeten voor hun bazen gaan voorbereiden. „Ik moet nu echt snel gaan, anders gaat hij zeuren”, zegt de tiener voor ze de deur uit sprint. Houriya volgt haar in stilte naar de uitgang.

Hasta mañana, lieverds! Tot morgen”, roept Gallardo.