Colonel Parker maakte Elvis groot en hield hem klein

Colonel Parker Tom Hanks speelt hem vrij sympathiek in ‘Elvis’, maar de manager die uit Breda kwam hield de rockster zijn hele loopbaan met knevelcontracten onder de duim.

Tom Hanks als Colonel Tom Parker, de man achter (en soms voor) Elvis Presley.

Colonel Tom Parker heeft echt bestaan. De man die in de film Elvis wordt gespeeld door Tom Hanks, was de manager van Elvis Presley – de man die er prat op ging dat hij Elvis gróót had gemaakt.

Hij heette niet Parker en hij was geen kolonel. In werkelijkheid heette hij Andreas Cornelis van Kuijk en kwam uit Breda. Maar over zijn verleden sprak hij niet graag. Hem ging het voornamelijk om zijn machtspositie en de daarbij behorende miljoenen die hij vergaarde. Zonder hem was Elvis nooit zo’n wereldster geworden, beweerde hij graag. Samen konden ze de hele wereld aan, zo lang Elvis alles deed wat Parker hem vroeg. Of beter: opdroeg.

Min of meer naar waarheid wordt Parker in de film geportretteerd als de manager die via pure bluf en sluwe marketingmethoden bepaalde hoe de carrière van zijn protegé zou verlopen - van pril rock-idool tot en met entertainer voor alle leeftijden. Films en tv-series over Presley’s leven en werken waren er al genoeg, maar daarin werd doorgaans weinig aandacht besteed aan de dominante rol van Parker, terwijl hij toch de man was die Elvis gehoorzaamde. Parker kreeg vrijwel altijd zijn zin. Alles gebeurde zoals hij dat had uitgestippeld. „Daar gaat de Colonel over,” antwoordde Elvis Presley op ongeveer elke vraag die hem werd gesteld.

Lees ook de recensie van de nieuwe film ‘Elvis’ (●●●)

Dries van Kuijk moet als jongeman een notoir spijbelaar zijn geweest, blijkt uit de gedegen biografie Elvis and the Colonel die de Brabantse journalist Dirk Vellenga in 1988 publiceerde. Liever hing hij rond op de kermissen en de circusjes die zich in vooroorlogs Breda herhaaldelijk kwamen vertonen. Wat hem vooral moet hebben gefascineerd, aldus Vellenga, was de combinatie van show en business – de trucs van kermis- en circusexploitanten om hun publiek te verleiden tot extra uitgaven. Wat dat betreft bleef hij altijd dezelfde: de man die de kassa bij Elvis-concerten extra spekte door glansfoto’s van zijn superster te verkopen.

Show en business

Geen wonder dat Van Kuijk op zijn twintigste naar Amerika wilde: nergens waren show en business zozeer verknoopt als daar. Vellenga vermoedt dat hij in 1929, als verstekeling, naar Curacao voer en daar aan boord klom van een smokkelschip naar Amerika. Veel is er niet bekend over zijn daaropvolgende jaren. Hij werkte bij pretparkjes, kermissen en reizende circusjes, waar hij zich bekwaamde in gesjoemel en geritsel achter de schermen en ook zelf optrad met een soort artiestennummer. Een van zijn attracties heette Colonel Tom Parker and his Dancing Chickens. Het bestond uit kippen die frenetiek begonnen te springen als de kolonel hen op een laag zaagsel neerzette. Wat het publiek niet zag, was de gloeiend verhitte metalen plaat onder dat zaagsel.

Begin jaren vijftig wist de pseudo-kolonel langzaam maar zeker zijn werkterrein te verleggen naar een lucratiever circuit: het management voor artiesten van enige naam en faam. Door de boekingen te verzorgen voor populaire country-zangers als Eddy Arnold en Hank Snow groeide zijn reputatie als succesvol showman. En via Snow raakte hij rond 1955 in contact met de ongerepte Elvis Presley. Of hij geïnteresseerd was in de baanbrekende rock ‘n’ roll van deze jongeman, staat niet vast. Waar het Parker bovenal om leek te gaan, waren de hysterisch gillende meisjes die voor hun idool in katzwijm vielen. Wat hij zag, was een nieuwe doelgroep waaraan geld kon worden verdiend.

Knevelcontract

Zo begon een verbond dat heeft voortgeduurd tot Presley’s dood in 1977. Parker incasseerde maar liefst 50 procent van alles wat Presley verdiende. Zelf draaide hij dat liever om. Toen een journalist ernaar informeerde, antwoordde Parker volgens de site Hindsight History: „Elvis ontvangt 50 procent van alles wat ík verdien.”

Knevelcontracten hebben in de show business – en daarbuiten – altijd bestaan, maar zelden waren ze zo extreem als de verbintenis tussen Tom Parker en Elvis Presley. En ook op de kleintjes werd gelet. Zo liet Parker in 1961 de opnamen van de film Blue Hawaii stopzetten toen Presleys eigen horloge in beeld bleek te komen. „In het contract staat dat Elvis niet zijn eigen kleding meebrengt,” zei Parker. „Als je dat horloge in beeld wilt, moet je ons nog eens 25.000 dollar betalen.” Of ’s mans eis toen werd ingewilligd, vermeldt het verhaal niet. Maar typerend was het wel.

En het ging niet alleen over geld. Vellenga onthulde in zijn biografie ook waarom Elvis Presley nooit buiten de Verenigde Staten optrad. Zelf beweerde de manager dat het hem buiten de Amerikaanse landsgrenzen onmogelijk was de veligheid van zijn artiest te garanderen. De echte reden was dat niet. Wat hem in werkelijkheid in de weg stond, was het feit dat hij geen paspoort bezat en dus nooit met zo’n internationale tournee mee had kunnen reizen. Voor een man die zijn ster geen moment uit het oog wenste te verliezen, vormde dat een onoverkomelijk beletsel. Zelf liet Presley zich intussen gewillig contracteren voor de ene na de andere flutfilm – waarmee zijn reputatie als geloofwaardige rocker ernstig werd geschaad. En toen hij kort voor zijn dood werd benaderd om tegenover Barbra Streisand te spelen in een nieuwe verfilming van A Star is Born, was Parker opnieuw de hinderpaal. Elvis was, vond hij, te beroemd om een andere ster naast zich te dulden.

Na Presley’s dood slaagden de nazaten erin de contracten met Parker via de rechter te verbreken omdat ze onbillijk werden geacht. Wrokkig wierp de werkloos geworden manager zich toen op zijn gokverslaving. En toen hij in 1997 stierf, hadden de necrologieën geen goed woord voor hem over. Hij had Elvis Presley groot gemaakt, maar ook klein gehouden.