Opinie

Weer een adviesrapport? Probeer het eens met een operette

Maxim Februari

Eerlijk gezegd heb ik geen zin in werken. De schoenmaker belt om te vragen of ik lid wil worden van een koor dat later dit jaar een musical opvoert. Het moet gaan over de recente cryptovalutacrash die vermogens doet verdampen en beleggers ruïneert. ‘Bloedbad in de cryptowereld’ gaat het heten en ik moet een zingende dollar spelen.

Ik heb er wel zin in, meer dan in het saaie werk dat voor me op tafel ligt. Saaie artikelen, saaie adviesrapporten. Al die dorheid kan best wat musical en operette gebruiken. Je kunt beter een operette schrijven dan een adviesrapport, zeg ik steevast tijdens gewichtige vergaderingen, en dan knikt iedereen, want het is gewoon waar. Maar het komt er nooit van, want waar vind je zo gauw een operettecomponist?

Voor me ligt een advies dat een Amerikaanse commissie – de Adviescommissie Geautomatiseerde Persoonlijke Data Systemen – in 1973 heeft aangeboden aan het Amerikaanse ministerie van Volksgezondheid en Welzijn. ‘Records, Computers, and the Rights of Citizens’ heet het stuk en het gaat over de veilige omgang met persoonsgegevens. Ergens halverwege het rapport staat een motto uit de operette Princess Ida van Gilbert en Sullivan uit 1884.

Koning Gama, de vader van prinses Ida, vertelt in dit motto dat hij de leeftijd van vrouwen graag verklapt. Dat hij dingen van mensen weet en met plezier hun zwakheden aanwijst. Dat hij hun inkomensgegevens nauwgezet pleegt te vergelijken met hun belastingaangifte. En dat hij absoluut niet snapt waarom mensen hem onaangenaam vinden: „Yet everybody says I am a disagreeable man! And I can’t think why!

De Adviescommissie Geautomatiseerde Persoonlijke Data Systemen snapt het best. Al in 1973 zegt ze dat slordige omgang met persoonsgegevens in de toekomst slachtoffers zal maken onder „onze meest achtergestelde burgers”. Ze geeft overheid en belastingdienst tips om het maken van zulke slachtoffers te voorkomen. Heel nuttig, allemaal, maar vijftig jaar later denk ik dat de commissieleden alleen iets hadden kunnen bereiken als ze destijds een operettekostuum hadden aangetrokken en het rapport op rijm hadden gezongen.

Schrijven is zinloos, bedoel ik maar te zeggen. Advies geven is zinloos. Na vijftig jaar hebben je adviezen nog steeds geen enkel effect. En dus verveel ik me, geen lust om te werken. Wat doe ik hier achter al die teksten en rapporten? Ik kan het wel goed voor hebben met de mensheid, maar hoe zou ik vanachter mijn laptop deze krakkemikkige wereld van ons minder krakkemikkig kunnen maken? Welke vorm kies je daarvoor en, vooral, welke taal?

Volgens de ene grote schrijver moet je voor een kapotte wereld een kapotte taal gebruiken; een taal die spiegelt hoe de wereld uiteen valt en verbrokkelt, die laat voelen hoe alle betekenis verdwijnt, hoe onverstaanbaar mensen voor elkaar zijn geworden.

Volgens de andere grote schrijver kun je de agressieve retoriek van de buitenwereld alleen pareren door te fluisteren. De bulderende taal van wereldmachten kun je onschadelijk maken door met zwakke stem te laten horen dat je niet bang bent voor de macht. En dus fluister ik, ik mompel, ik verbrokkel en ik spiegel alles wat onze tijd bezielt. Ik zing als een heiden, ik laat woorden uit mijn handen vallen als een kind op een schoolplein.

Ik heb niet het gevoel dat ik zo erg opschiet. Ik zit me te vervelen achter mijn laptop. En nog steeds voel ik de opdracht op mijn schouders wegen om de wereldvrede te bevorderen en bij te dragen aan de bloei van het heelal. Totdat me opeens een uitspraak te binnen schiet van de schrijver E.B. White. Alleen onder een dictatuur wordt van je verwacht dat je schrijft met een inspirerende toon, zegt hij in 1939 in zijn column The Duty of Writers in Harper’s Magazine.

Waarom zou je in een vrij land in vredesnaam de hele tijd inspirerend willen zijn? Er zijn mensen die in moeilijke tijden alleen maar constructief en significant en vrijheidslievend worden, zegt White. „Ik heb het idee dat dit op zijn eigen manier slecht nieuws is.” Een despoot voelt bovendien geen enkele angst voor schrijvers die vrijheid prediken. „Zijn grootste zorg is dat vrolijkheid, of waarheid in schaapskleren, ergens voet aan de grond krijgt, dat de vreugde op enig onbewaakt moment onbegrensd is.”

Geen flauw idee of het waar is, maar het klinkt goed, dat van die vreugde. Niet te serieus zijn: ook een prima advies. Het komt een beetje laat natuurlijk, het was beter geweest dit te bedenken voordat ik achter mijn laptop ging zitten om me te vervelen, want nu is de hele werkdag een beetje niksig verlopen. Maar god, wat ben ik blij te weten dat ik de volgende keer niet inspirationeel hoef te zijn.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.