Opinie

Doodgaan is niet win-win

Floor Rusman

Ik leg twee boeken op de toonbank: De toekomst van het sterven van Marli Huijer en De palliatieve maatschappij van Byung-Chul Han. „Zijn het cadeautjes?” vraagt de verkoopster. Ik wil antwoorden, maar kom niet verder dan: „Hahahahaha.” Dan moet ook zij zachtjes lachen: „Hahahahaha.” De lach rolt tussen ons heen en weer als de branding van de zee.

Als het aan filosoof Marli Huijer lag, was het geen lachwekkend idee om iemand boeken over de dood cadeau te doen. Dat is precies waar haar boek over gaat: dat de dood een normaler, minder angstaanjagend deel van het leven zou moeten zijn. Zelf gaat zij, mocht ze ongeneeslijk ziek worden, „liever in een paar maanden dood dan het langer te rekken”. Huijer verwijst naar de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han, die misprijzend vaststelt dat het de mensen tegenwoordig niet meer om het goede leven gaat, maar om behaaglijk overleven. (Alle belangrijke woorden heeft Han in zijn boekje gecursiveerd.)

Beter goed leven dan zo lang mogelijk: dit is ook de boodschap van de campagne ‘#dezorgvanmorgen’ die vorige maand is gestart door het Zorginstituut, de organisatie die bepaalt welke zorg verzekerd wordt. Er wordt te veel onnodig behandeld, constateert het instituut. Niet ziekte maar gezondheid moet centraal staan, en niet zorg maar ‘kwaliteit van leven’. „Alleen zorg die daadwerkelijk van waarde is, staat in de toekomst op het ‘passende zorg-menu’”, aldus het Zorginstituut en de Nederlandse Zorgautoriteit in het adviesrapport Samenwerken aan passende zorg (2020).

Zowel Huijer als het Zorginstituut wil een mentaliteitsverandering teweegbrengen: we moeten verval en sterfelijkheid in het gezicht kijken, in plaats van ervoor weg te rennen. Dit oogt als een realistische en daardoor ook menselijke boodschap. Wie het er niet mee eens is, ontkent de werkelijkheid: dat het leven niet oneindig is, en ook niet altijd gerieflijk.

Toch wringt er iets. De mentaliteitsverandering wordt gepresenteerd als een ontwikkeling met alleen maar winnaars: patiënten hebben een prettiger levenseinde, nabestaanden een gezonder rouwproces, en de samenleving is goedkoper uit. Dat laatste lijkt een leuke bijvangst, maar is in werkelijkheid pure noodzaak: door de vergrijzing moet, als we niets doen, over veertig jaar één op de drie mensen in de zorg werken, aldus het Zorginstituut. Onhaalbaar en onbetaalbaar.

Dat betekent dat behandelingen niet alleen zullen worden geweigerd in evident zinloze gevallen, maar ook wanneer minder duidelijk is wat ‘van waarde’ is, en wat ‘onnodige zorg’. Dat zijn immers geen objectieve termen. Ik stel me het volgende gesprek voor tussen een arts en een patiënt:

Arts: „U zult niet meer genezen. We kunnen uw leven verlengen met een zware en akelige chemokuur, óf u kunt de tijd die u rest nog lekker leuke dingen doen met vrienden en familie!”

Patiënt: „Ik wil de chemokuur.”

Arts: „Ehm… dat was niet het juiste antwoord!”

Het lastige aan teksten als die van Marli Huijer is dat ze negeren dat er al sinds mensenheugenis zoiets bestaat als doodsangst, en, daarmee samenhangend, levensdrift – ook als dat leven aan kwaliteit heeft verloren. Ik herinner me een column waarin Renate Rubinstein, die leed aan MS, tot haar verbazing vaststelde dat ze zich tijdens haar aftakeling veel sterker dan verwacht aan het leven bleef vastklampen.

Dat is niet hoe Huijer erover denkt. Haar bijna luchtige spreken over de dood heeft iets stoers: zij staat zonder knikkende knieën op de hoge duikplank. Ze vraagt zich zelfs af waarom we eigenlijk jaarlijks onze verjaardag vieren, en niet onze sterfdag. Nou – misschien omdat het geen leuk vooruitzicht is om afscheid te nemen van alles waaraan we gehecht zijn, sterker nog, van alles wat we kennen, om in het onbekende niets te verdwijnen?

Natuurlijk moet er een gesprek gevoerd worden over wat we over hebben voor een langer leven, als individu en als samenleving. Maar het moet wel een eerlijk gesprek zijn, waarin alles op tafel ligt. Dus ook dat sommige mensen tegen elke prijs willen leven („het naakte overleven”, zoals Han en Huijer het noemen), dat dat begrijpelijk is en niet raar, en dat er tóch niet altijd geld voor is.

Floor Rusman (f.rusman@nrc.nl) is redacteur van NRC