Recensie

Recensie Boeken

Is Pelgroms ‘levende hoofd’ een monster, of is dat niet de goede vraag?

Kinderboek Els Pelgrom herijkte bijna veertig jaar geleden al de standaarden in de jeugdliteratuur. Haar nieuwe Het levende hoofd is opnieuw een kinderboek voor wie blindelings de grenzen van de logica en werkelijkheid kan overschrijden.

Illustratie Sylvia Weve uit besproken boek.

‘Een verhaal is er voor wie het hebben wil’, zei Els Pelgrom (1934) afgelopen januari in een Nieuws-uur-serie over zes toonaangevende kinderboekenschrijvers op leeftijd. Deze uitspraak typeert de gelauwerde schrijver, die in 1984 met Kleine Sofie en Lange Wapper de kinderboekenwereld verblufte. In positieve en negatieve zin: het Andersen-achtige verhaal over een ernstig ziek meisje dat meespeelt in een nachtelijk poppentheaterstuk over ‘Wat Er In Het Leven Te Koop Is’, werd als de nieuwe jeugdliteraire standaard gezien, maar ook als te moeilijk en gelaagd voor kinderen.

Wensvervullende gekko

Deze kritiek zou Het levende hoofd, Pelgroms nieuwe boek na vijftien jaar stilte, ook zomaar ten deel kunnen vallen: het krankzinnige verhaal over Witteveer die geboren wordt als kaal hoofd (!) en door een gekko die wensen kan vervullen eerst van zwart haar met witte veren wordt voorzien, dan van een paar benen en armen en uiteindelijk een lijf, zodat hij eindelijk de wereld kan ontdekken, zit vol dubbelzinnige satire.

Lees ook een interview uit 1994 met Els Pelgrom: ‘De wereld is een puinhoop en prachtig bovendien’

Zo vertelt Gekko aan Witteveer dat je op school niet alleen leert rekenen en spellen, maar ook ‘dat de ene mens belangrijker en beter is dan de andere, en wie dat dan zijn’. […] ‘Die lessen noemen ze geschiedenis’. Hilarisch en de spot drijvend met onze hysterische nieuwsconsumptie is ook de scène waarin een professor ontwikkelingspsychologie Witteveer als levend voorbeeld van een koppoter aan zijn studenten laat zien, en hoe er daarna door het verontrustende beeld van hem, dat zich als een razende via de digitale snelweg verspreidt, aan zijn levensechtheid wordt getwijfeld. Sommigen verdenken de studenten van ‘drugs’ en ‘massale hallucinatie’. Anderen vermoeden een robot. Nog weer anderen beschrijven Witteveer als een Frankensteinachtig monster, ‘gruwelijker dan ooit een film- of theatermaker had kunnen bedenken dus, het moest wel waar zijn’. Tegen de tijd dat de politie ingrijpt, is hij onderdeel van een complot.

Bedoeling?

Maar je hoeft het verhaal niet als maatschappijkritische satire te interpreteren om er leesplezier aan te kunnen beleven. Pelgrom maakt dit bij monde van Witteveer prettig duidelijk. Als de hoofdinspecteur hem vraagt wat de bedoeling van de ontstane chaos is, zegt hij: ‘Een bedoeling? Er is helemaal geen bedoeling. Dingen gebeuren, zo gaat dat in het leven.’ Deze licht absurdistische levenshouding zat ook al in Kleine Sofie en Lange Wapper. Anders dan volwassenen hebben kinderen daar geen moeite mee, denkt Pelgrom. „Kinderen accepteren de dingen zoals ze zijn”, zei ze onlangs nog in een interview, „omdat ze niet weten dat het ook anders kan. Ze zijn nieuwsgierig, ze gaan weer verder.”

Jammer daarom dat, juist terwijl je je afvraagt hoe dit onwaarschijnlijke avontuur moet aflopen, Pelgrom Gekko laat optreden als Witteveers privé-deus ex machina, die zijn vriend aan zijn belagers helpt ontsnappen door hen doodleuk te verstenen. Pelgroms letterlijke verwijzing naar deze verteltechniek waarbij er nogal abrupt in de plot wordt ingegrepen om het verhaal gaande te houden, lijkt bedoeld als grap om het toenemende (volwassen) ongeloof na Gekko’s laatste toverkunstje af te zwakken. Maar moet dat? Dit verhaal is er toch voor wie het hebben wil, voor wie blindelings de grenzen van de logica en werkelijkheid kan overschrijden? Zoals kinderen? Juist zij zullen het herkennen als het doldwaze avonturenverhaal dat het vooral is.

Lees ook de recensie van Sylvia Weve’s boek ‘Dit is geen Cobra’

Ondertussen zullen ze, dankzij de liefdevolle rol van Witteveers oma Alsinha en de prachtige magisch-realistische illustraties van Sylvia Weve en haar groteske mensfiguren, aanvoelen dat Witteveer een verschoppeling is die met zijn witte lijf en zwarte kop behalve angst ook medeleven oproept. Pelgrom maakt daar overigens – het verhaal passend – geen drama van. Uiteindelijk besluit Witteveer dat hij hier ‘niet als mens’ kan blijven, waarna een in beeldrijke taal geschreven ontroerende, magische slotscène volgt waarin verbeelding en werkelijkheid als vanzelf in elkaar overvloeien. Dan toont Pelgrom wat fictie vermag.