Recensie

Recensie Theater

In de voorstelling ‘Thuis praat ik bijna nooit’ beledigt Arends enkel dieren

Theater Daniël Arends treedt momenteel op met twee verschillende voorstellingen op één avond. Knap, maar binnenkant is veel relevanter dan buitenkant, meent ook Arends. Hij maakte er twee scherpe voorstellingen over.

Ergens halverwege God is mijn rechter confronteert Daniël Arends (42) zijn publiek met het eigen gedrag als hij ze met een infantiel stemmetje imiteert: „Vanavond lekker naar Daniël Arends.” Een plagerijtje. Je beledigd voelen bij Arends, die op tournee is met twee verschillende stand-up comedy shows per avond, is zeker een mogelijkheid. Hij geeft hiervoor voldoende munitie middels zijn vele improvisaties met het publiek op de voorste rijen. Maar of je je dan daadwerkelijk gekrenkt voelt, heb je echt zelf in de hand, volgens de Arends-filosofie. Voor hem is grappen over iemand maken juist een teken dat je diegene serieus neemt.

Bij wijze van ludiek protest tegen de geconstateerde huidige lichtgeraaktheid, kondigt Arends in Thuis praat ik bijna nooit aan enkel dieren te zullen beledigen. Het lukt niet helemaal, maar inderdaad krijgen onder meer zebra’s, schapen en olifanten ervan langs in mopjes waarin hun uiterlijk bespot wordt. Het is een slimme vondst: met de onschuldige grappen stelt Arends je voor een vraag waarin het antwoord al dusdanig besloten ligt dat je het eigenlijk niet meer fout kan denken: zijn we als mensheid niet een beetje doorgeslagen in het ons beledigd voelen?

Thuis praat ik bijna nooit is een oergeestige ontleding van de woke-cultuur. Een beweging met veel terechte punten, maar het stoort Arends als iemand zijn hele identiteit ontleent aan het zich gekwetst voelen: alleen dat jij je zo voelt (lees: beledigd), betekent niet noodzakelijkerwijs dat je gelijk hebt. Genadeloos is Arends wanneer hij onoprechtheid of hypocrisie bespeurt: je kan niet anderen de maat nemen over duurzaamheid en zelf een stapel kinderen nemen, meent hij. „Dat is hetzelfde als een panda in zijn ballen trappen en daarna lid worden van het Wereld Natuur Fonds.”

Lees ook: Tussen de genadeloze grappen door filosofeert Daniël Arends over ouder worden

IJzeren timing

God is mijn rechter is iets minder sterk en Arends beroept zich wat vaak op beproefde succesnummers zoals imitaties van Aziaten en het opzetten van een kinderstemmetje wanneer hij iets infantiel vindt. Het werkt meestal nog steeds, maar de steentijd hield ook niet op omdat het steen op was. Gelukkig is Arends niet te beledigen. Prikkelend is wel zijn verhaal over hoe iedereen voortdurend druk in de weer is de indruk te wekken nuttig bezig te zijn: uit angst voor afkeurende blikken houden we onszelf massaal voor de gek. Laten we toch ophouden betekenis te geven waar deze er helemaal niet is, onze aanwezigheid op aarde doet er weinig toe, stelt Arends. Het is deze levenshouding waarin zijn kenmerkende absurde humor zijn oorsprong vindt en waarmee Arends op zijn best is. Wat hij zou doen met een ton? Een jaar lang een huis airbnb’en, het laten verbouwen tot een doolhof van veertig identieke kamertjes en de eigenaar in het midden opwachten, verkleed als Aziatische wijsgeer.

Een avond bij Arends zit vol met absurditeiten als deze, die hilarisch worden mede dankzij zijn ijzeren timing. Beide shows vinden elkaar in Arends’ opvattingen over verschil tussen binnen- en buitenkant: laten we in godsnaam verder kijken dan de façades, daar wordt het leven echter en beter van. Het beeld dat na twee rijke voorstellingen blijft hangen, is dat van een stellige nihilist. Ook zíjn werk doet er niet toe, communiceert Arends als hij op een gegeven moment zijn ‘opgeheven cabaretvingertje’ even te ruste legt: hij is de laatste die wil preken. Toch doet hij meer dan enkel het afbakenen van leegte, Arends laat volle zalen op uiterst geestige wijze inzien dat inspiratie en plezier te vinden zijn in de totale relativering. Dan doe je het als cabaretier allemaal niet voor niks.