Opinie

Een pen om een einde aan de oorlog te maken

Michel Krielaars

Tijdens het Holland Festival besefte ik ineens weer wat het wezen van Rusland is: chaos. Het was tijdens een Franstalige uitvoering van Tsjechovs De Kersentuin (La Cerisaie), met Isabelle Huppert als landeigenaresse Ljoebov Ranjevskaja en Adama Diop als Lopachin, de rijk geworden zoon van een lijfeigene, die haar landgoed koopt en van een nederige pauper in een agressieve heerser verandert, die je meteen aan Poetin doet denken.

La Cerisaie is een schitterende voorstelling, waarachter je eerder een Russische regisseur zou vermoeden dan een Portugees zoals Rodrigues. De strakke ordelijkheid van veel westerse Kersentuinen ontbreekt hier geheel. Bij Rodrigues overheerst daarentegen de Russische chaos, zit er geen lijn in het verhaal en doet iedereen maar wat. En precies dat is Rusland!

Af en toe is het bal en moet muziek iedereen oppeppen. Maar zelfs tijdens het dansen druipt de eenzaamheid van de gezichten. Pas op het laatst beseft een enkeling, zoals de overweldigend spelende Huppert en Diop, dat het te laat is. Zij zijn dan ook de enige echte verliezer en winnaar van dit stuk, dat na ruim een eeuw niets aan betekenis en kracht heeft verloren. En dan is er ook nog die laatste zin van lakei Firs, die je bewust maakt van je eigen sterfelijkheid en je altijd een brok in je keel bezorgt: ‘Mijn leven is voorbijgegaan, het is net alsof ik niet heb geleefd.’

In de oorlog in Oekraïne moet het er net zo aan toe gaan. Russische soldaten sterven bij bosjes als gevolg van de chaotische besluitvorming van hun leiders, die niet om mensenlevens geven. Oekraïense soldaten, wier commandanten op westerse leest zijn geschoeid, sterven op hun beurt voor hun vrijheid.

Hoezeer Rusland van het Westen verschilt lees ik ook in het pas verschenen Dagboek 1934 van de Russische schrijver Michail Koezmin, vertaald door Jan Paul Hinrichs. Op 30 augustus van dat jaar noteert de ernstig zieke schrijver, die twee jaar later zal sterven: ‘Elke keer als ik uit Europa in Rusland terugkwam, troffen mij de slordigheid, bandeloosheid, de afhangende lippen en buiken van het straatpubliek.’ Om het leven draaglijk te maken moest men het volgens hem organiseren, jezelf het gevoel geven dat je met iets zinnigs bezig was.

Op Spotify luister ik naar de boeiende achtdelige podcastserie Schandaal en controverse in de Russische literatuur, waarin de Leidse slavist Otto Boele het werk van acht bekende en minder bekende Russische schrijvers behandelt. Opnieuw valt me op dat het juist de schrijvers zijn die precies weten wat er mis is met hun land.

In de laatste aflevering behandelt Boele de roman Een Russische geschiedenis (2011) van Ljoedmila Oelitskaja. In dat boek gaf ze zo’n negatief beeld van de Sovjet-Unie van de jaren zestig en zeventig, waarin dissidenten met harde hand werden onderdrukt, dat ze zich de woede op de hals haalde van het Kremlin, dat de dissidenten zag als door de CIA betaalde herrieschoppers, die de Sovjet-Unie wilden verzwakken. Een boek als Een Russische geschiedenis zegt veel over de morele macht van een schrijver, die in een repressief land als Rusland groot is. Jammer alleen dat zulke schrijvers geen einde aan de huidige oorlog kunnen maken. Want als het erop aankomt is de pen weliswaar een scherp wapen, maar toch kun je er een leider als Poetin niet mee laten struikelen.