Recensie

Recensie Boeken

Wie zijn dan die boze meisjes?

Essays Wat is de norm voor vrouwen? Twee essaybundels gaan over het willen voldoen én ervan af willen wijken: dit dubbele streven telkens in één boezem verenigd.

Foto Paul Garnier
Foto Paul Garnier

Volwassen vrouwen die zich ‘meisje’ noemen: dat is, evenals volwassen mannen die zichzelf met ‘jongen’ aanduiden, al snel sneu. Het is koket, behaagziek te noemen: gek mens ben ik hè, niet oud hoor, maar nog steeds lekker en losbollig. Neem mij vooral niet serieus. Of, zoals Marja Pruis (1959) schrijft in Boos meisje. Over vrouwen en frictie: ‘Meisje. De diminuatie ligt op de loer.’ Toch voert ze de term, als een geuzennaam.

Wie zijn dan de boze meisjes bij Pruis? Vrouwen die juist heel serieus te nemen zijn, die zichzelf heel serieus nemen. Vrouwen die vanzelfsprekend ruimte innemen, die van alles nalaten waar een dame zich van oudsher druk over maakt. Die niet lachen puur omdat het zo hoort, maar gewoon omdat ze vrolijk zijn, die hun stemgeluid niet dempen en nooit zomaar in het wilde weg verontschuldigend doen, om maar niemand te ontrieven. Pruis zelf zit anders in elkaar: ‘Ik sta te weifelen bij het stoplicht. Ik wil nog steeds een sticker van de juf. In gedachten speel ik basgitaar, in werkelijkheid ben ik een groupie.’

‘Bekoorlijk en behoorlijk’, heet dat van oudsher aan vrouwen voorgeschreven gedrag in het stuk dat Ileen Montijn bijdroeg aan De buitenkant. Vrouwen over de rol van uiterlijk, samengesteld door NRC-redacteur Milou van Rossum (1965). Het was de titel van een boek dat ze als twaalfjarige kreeg, een boek waar ze naar snakte, maar dat tegenviel: ‘In dit boek [bleken] de eisen van aantrekkelijkheid en etiquette geheel in elkaars verlengde te liggen.’ Het stond vol ‘vermaningen’: ‘Om altijd stipt op tijd te zijn bij een afspraak, en niet te fluisteren in gezelschap.’ Montijn, van wie je wat graag een dik boek over haar ontwikkeling vanaf hier zou lezen, was juist op zoek naar tips om simpelweg mooi te zijn, hoe ze haar haren kon laten glanzen, slanker kon lijken. Mooi zijn gold voor haar, zoals voor de meeste meisjes, als het hoogste goed. Mooi ‘was een meetlat die je altijd bij je droeg’. ‘Verinnerlijkte onderdrukking’, noemt ze het in retrospect: ‘Je wordt geknecht, maar je wilt het zelf ook.’

Mooi zijn, ook al ben je wijzer

Dat ‘het zelf ook willen’, is een interessante kwestie die telkens aan de orde, of op zijn minst even langs, komt in de stukken in De buitenkant. Want álle vrouwen willen mooi zijn, zo blijkt, zelfs al zijn ze heus wel wijzer. Anja Meulenbelt kijkt het liefst niet in de spiegel. Bregje Hofstede doet buikspieroefeningen naast haar kraaiende baby: ‘Sorry voor de sit-ups, denk ik dan. Sorry dat jij hierdoor later ook denkt dat je sit-ups moet doen en ik deze stomme sit-ups met een vertraging van pakweg twaalf jaar aan je doorgeef.’

Ze wil, ondanks haar eigen training, haar dochter behoeden voor het belang dat aan uiterlijk wordt gehecht. ‘Maar ik weet dat ik hierin keihard ga falen. Ze zal willen voldoen aan de norm, zoals iedereen. Omdat dat veilig lijkt. Ze zal de grotere onveiligheid die de norm bevat, zoals iedereen, pas later leren kennen.’ Dat is mooi geformuleerd.

De buitenkant gaat over aan de norm willen voldoen én ervan af willen wijken: dit dubbele streven telkens in één boezem verenigd. Het gaat over dik, oud, bepukkeld dan wel zwanger zijn, en ook even over het dragen van een hoofddoek en het weer afleggen daarvan. Toch is het wel een beetje een ‘preken voor eigen parochie’-bundel geworden. Er staan geen echt afwijkende standpunten in, je leest niets van bijvoorbeeld een voorstander van plastische chirurgie.

Het is een tikje eenzijdig dat iedereen op voorhand al vindt dat het hechten aan schoonheid sowieso laakbaar is. De beschouwing van Xandra Schutte, met naast een persoonlijke, een meer geschiedkundige invalshoek, heeft het meeste vlees op de botten. Het mooiste schrijven doet intussen Manon Uphoff : ‘In mij woont een forse kerel die naar buiten wil om zich te bewegen met de soepele elegantie van een rob in het water, zonder de vraag of je wel zoveel plek mag innemen.’

Lees ook dit interview: Marja Pruis: ‘Ik haat het om ergens niet de beste in te zijn’

Dat sluit dan weer goed aan op het boze meisje van Pruis. Haar verschijning blijkt geen nieuw fenomeen te zijn: Pruis’ boekenplanken stonden er al vol mee. In Boos meisje staan beschouwingen over het werk van Rachel Cusk, Renate Rubinstein en bijvoorbeeld Vivian Gornick. Het zijn interessante stukken, zij het geen verrassende.

Hand in eigen boezem

Pruis, die overigens ook een essay schreef in De buitenkant, laat zich in haar boek ook uit over andere ‘boze meisjes’ zoals in stukken over Sigrid Kaag en Neelie Kroes. Die stukken staan op zich vol boeiende observaties en daaruit voortvloeiende gedachten, van humor is ook sprake. Toch wordt het af en toe taai, te cerebraal. Pruis kiest soms voor wel erg plechtstatige woorden en hier en daar kookt ze haar zinnen al te ver in. Wat losser schrijven leest lekkerder.

Helemaal een eenheid is Boos meisje ook inhoudelijk niet, zo is de vraag wat de uitweiding over de bekroning van Sander Kollaards’ Uit het leven van een hond met de Libris Literatuur Prijs 2020, erin doet. Het sterkste zijn de momenten waarop Pruis de hand in eigen boezem steekt, en niet te ver afdrijft, wanneer ze haar eigen aannames en meningen ter discussie stelt, nietsontziend en recht voor z’n raap. Als het ‘boze meisje’ dat zij op schrift sinds jaar en dag wel degelijk durft te zijn.