Recensie

Recensie Boeken

Deze roman over een 27-jarige Weense baron getuigt van een verbluffend psychologisch inzicht

Klassieker Arthur Schnitzlers De weg naar buiten gaat over de wording van een kunstenaar en de zwangerschap die hij veroorzaakt. De schrijver fascineert met inzichten in het onbegrip dat een gediscrimineerde minderheid ervaart.

Acteurs Zarah Leander en Siegfried Breuer in de verfilming van Schnitzlers roman Der Weg ins Freie.
Acteurs Zarah Leander en Siegfried Breuer in de verfilming van Schnitzlers roman Der Weg ins Freie. Foto ullstein bild/ullstein bild via Getty Images

Als je tot een meerderheid behoort en een lid van een minderheid tegen je zegt: ‘Je kunt me niet begrijpen’, heb je de neiging beleefd te zwijgen. Mogelijk denk je ondertussen: ‘Je onderschat me, ik heb toch wel enig vermogen me in een ander te verplaatsen. En voorzover het waar is dat ik jou niet kan begrijpen, geldt omgekeerd hetzelfde: als we ons afvragen wat we weten en hoe we dat weten, moeten we vaststellen dat we andermans bewustzijn nu eenmaal niet vanbinnen kunnen onderzoeken.’

Filosofisch scepticisme is echter niet wat iemand op het oog heeft die zegt: je begrijpt me niet.

Als je mensen die zeggen dat je ze niet begrijpt, beter wilt begrijpen, zou je De weg naar buiten van Arthur Schnitzler (1862-1931) kunnen lezen. En Schnitzler lezen, dat is bepaald geen straf.

De Weense schrijver was al bekend van zijn novelles en toneelstukken toen hij zich zette aan wat een grote roman moest worden. De hoofdpersoon in De weg naar buiten (1908) is Georg von Wergenthin, een 27-jarige Weense baron. Hij is typisch een protagonist van Schnitzler: intelligent, bemiddeld, knappe vent, geen klagen over aandacht van de vrouwen – dat heeft hij allemaal gemeen met de auteur. Waarin ze verschillen: Schnitzler was een Jood, en Georg is blond, Germaans, van Duitse afkomst.

Verwerpelijk egoïsme

Er zijn drie verhaallijnen. Georg ambieert een loopbaan als componist en dirigent. Hij heeft enkele liederen geschreven die, uitgevoerd in de salons van de beau monde, enthousiast werden ontvangen, maar het blijft de vraag of zijn talent en vooral zijn doorzettingsvermogen toereikend zullen zijn om als professioneel musicus te slagen, we zijn immers in Wenen, nergens ligt de lat hoger, en het woord ‘dilettant’ wordt snel gefluisterd. Schnitzler heeft niet overdreven veel moeite gedaan Georg tot een toonkunstenaar in het bijzonder te maken, hij heeft hem eerder begiftigd met een kunstenaarsnatuur in het algemeen, maar dat deert niet zolang het leidt tot mooie bespiegelingen als deze (over het verschil tussen kunstenaars en mensen met een fatsoenlijk beroep): ‘Iedereen kan wel eens niet in vorm zijn, dat kan gebeuren… maar dan presteert men [...] nog altijd wel iets aanvaardbaars, terwijl iemand van ons, kunstenaars, als hij niet in vorm is, meteen een totale prutser is.’

De tweede verhaallijn is de belangrijkste. Georg begint een relatie met de 23-jarige Anna Rosner, een zangeres en muzieklerares uit een kleinburgerlijk milieu. Wanneer Anna zwanger raakt, ontstaat er (uiteraard) een probleem. Het plan is samen op reis te gaan zodra de zwangerschap zichtbaar zal worden, daarna een huis buiten Wenen te huren, waar de bevalling in het geheim kan plaatsvinden, en vervolgens het kind aan pleegouders af te staan, om bevrijd naar de stad terug te keren. Het rechtschapen alternatief – simpelweg met Anna trouwen – wordt door Georg geen moment serieus overwogen. Hij is oprecht van haar gecharmeerd, maar vindt zichzelf te jong om zijn vrijheid nu al op te geven. En Anna is te tactvol om hem op zijn verantwoordelijkheid aan te spreken.

In de beschrijving van deze affaire bewijst Schnitzler het grote psychologische inzicht waar Freud hem om zei te benijden. Hoewel Georgs egoïsme verwerpelijk is, kun je als lezer geen hekel aan hem krijgen. Anna roept gevoelens bij hem op die zo diep, zo zuiver zijn dat hij er zelf versteld van staat – maar dat verlet niet dat andere vrouwen ook zeer de moeite waard zijn.

De reis die ze samen door Italië maken is misschien wel ‘de beste tijd van zijn leven’, bedenkt Georg, zo tevreden en gelukkig als ze allebei zijn. Niettemin beleeft hij ‘het mooiste uur van de reis’ wanneer Anna een keer in het hotel blijft en hij Rome in zijn eentje gaat bezichtigen.

Volgens plan verblijft Anna de laatste maanden van haar zwangerschap in de idyllische, heuvelachtige omgeving van Wenen, en Georg vervult opgewekt zijn plicht door vaak bij haar langs te gaan. Hoe de bevalling verloopt mag hier niet verklapt worden, maar de bladzijden die volgen zijn het emotionele hoogtepunt van de roman, en het bewijs dat Schnitzler tot de zeer grote schrijvers behoort.

Hij discrimineert niemand

Toch is de derde verhaallijn het interessantst, zeker uit maatschappelijk oogpunt. Bijna alle vrienden en kennissen van Georg zijn Joods, en in zijn bijzijn discussiëren ze fel over het antisemitisme in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Sommigen vinden dat de achterstelling meevalt, je wordt als Jood heus wel bevorderd tot professor of legerkapitein, het duurt alleen wat langer. Anderen voelen zich Oostenrijker, geen Jood, en bekeren zich tot het katholicisme om hun assimilatie te onderstrepen. Weer anderen voelen zich evenmin verbonden met het voorvaderlijk geloof, maar vinden juist omdat ze trotse Oostenrijkers zijn dat ze de Joodse gebruiken, die ze in de praktijk allang verlaten hebben, niet hoeven af te wijzen alsof die iets minderwaardigs zouden hebben. En er zijn er die denken dat je kunt assimileren tot je een ons weegt, maar dat de enige uitweg uit de verdrukking de stichting van een Joodse staat is.

Lees ook: Een knappe psychologische roman over een vernederde ex in Freud’s Wenen

De Joodse auteur Schnitzler laat zien wat die discussies doen met Georg, die zoals gezegd geen Jood is. Georg discrimineert niemand, het maakt hem niet uit of iemand Jood is of niet, maar waarom beginnen ze er dan altijd over? ‘Waar hij ook kwam, hij ontmoette alleen maar Joden die zich schaamden dat ze Joods waren, of Joden die er trots op waren en bang waren dat een ander zou kunnen denken dat ze zich schaamden.’ Dat gedoe irriteert Georg, waardoor hij tot hen de afstand voelt die ze hem op voorhand verweten. Maar hij ervaart ook schuldbewustzijn, het schuldbewustzijn dat iemand van de meerderheid altijd voelt tegenover de gediscrimineerde minderheid.

En dan wrijft zijn vriend Heinrich, de schrijver, hem ook nog onder de neus: ‘Jullie begrijpen ons [...] niet. Een enkeling heeft misschien een vaag idee. Maar echt begrijpen? Nee. Wij begrijpen jullie in elk geval veel beter, dan jullie ons. [...] Dat is geen verdienste van ons. We moesten wel. Het was voor ons noodzakelijker om jullie te leren begrijpen dan omgekeerd.’ Een lid van een achtergestelde minderheid leeft als het ware in het land van de vijand, gevaar ligt altijd op de loer, en uit lijfsbehoud moet hij zijn vijanden zo goed mogelijk leren kennen.

Te midden van vijanden

Hoewel deze eruptie kwetsend is voor Georg (‘Dus u leeft te midden van vijanden?’ sputtert hij), begint hij wel te beseffen hoe het voor zijn Joodse vrienden is, die ‘heen en weer geslingerd werden tussen de angst om opdringerig te lijken en de verbittering vanwege het afgewezen worden’. Zo vergaat het ook de lezer van De weg naar buiten: het besef van je eigen onbegrip, ten opzichte van andere gediscrimineerde minderheden net zo goed als de Joodse, wordt vergroot, en daarvoor volstaat het een paar uur met de fascinerende auteur Schnitzler door te brengen. En als je zelf tot de minderheid behoort, kun je zien of je de geprivilegieerde Georg met zijn sterke en zijn zwakke plekken inderdaad zo goed kent.

Is er ook iets op het boek aan te merken? Jawel, er is te weinig samenhang tussen de drie verhaallijnen, waardoor je je soms afvraagt waar het nu eigenlijk over gaat, en er komen wel erg veel personages in voor, die niet allemaal een eigen gezicht krijgen. Tegenover deze onvolkomenheden staat echter zoveel psychologisch inzicht en stilistisch vermogen, dat het eigenlijk onzin is erover te beginnen.