De kip veroverde de wereld vanuit de bamboebossen van Thailand

Archeologie In Europa werd de kip vanuit het Middellandse Zeegebied verspreid door handelaren, rond 500 voor Christus.

In het Australische stadje Ocean Grove neemt Elaine Janes een van haar kippen mee uit surfen.
In het Australische stadje Ocean Grove neemt Elaine Janes een van haar kippen mee uit surfen. Foto Justin McManus/Getty Images

Ongeveer dertig miljard kippen leven er op aarde. Daarmee is deze smakelijke en eierleggende loopvogel het talrijkste gedomesticeerde dier – op misschien de honingbij na. En naar nu blijkt uit twee nieuwe onderzoeken is dat getalsmatige succes van de Gallus gallus domesticus ruim 3.000 jaar geleden begonnen in Thailand, toen de bevolking rijst ging verbouwen. Dát trok groepjes rode kamhoenen (Gallus gallus spadiceus) aan die voorheen alleen in de bamboebossen leefden.

Rondscharrelend door de braakliggende rijstvelden en pikkend naar graankorrels in de dorpen zelf, tussen de varkens en honden, wenden die hoenders aan de mens en vice versa. Door het ruime voedsel gingen de kippen meer eieren leggen en verloren de hanen hun territoriumdrift.

Vanuit Thailand verspreidde deze huiskip zich vrij snel naar China en India, en iets trager – samen met de rijstbouw – over de rest van Azië, het Midden-Oosten en Afrika. In Europa werd de kip verspreid vanuit het Middellandse Zeegebied door Griekse en Fenicische handelaren, rond het jaar 500 voor Christus.

Stokoude botjes niet van kippen

Tot nu werd vaak gedacht dat de kip nog duizenden jaren eerder in China werd gedomesticeerd, of zo rond 4.000 jaar geleden in India. Genetische studies geven weinig uitsluitsel: daaruit blijkt dat de huiskip afstamt van de rode kamhoen, en dat de voorouders van de huiskip zich ergens tussen 12.000 en 6.000 jaar geleden van de huidige kamhoenpopulaties afscheidden, maar dat betekent niet dat die afscheiding direct door domesticatie werd veroorzaakt. Maar in ieder geval zijn stokoude ‘kippenbotten’ uit China vrijwel zeker van fazanten en botjes uit India zijn waarschijnlijk van andere wilde kippensoorten.

Dit blijkt allemaal uit twee uitvoerige studies deze week in PNAS en in Antiquity, waaraan ook deels dezelfde onderzoekers meewerkten. De auteurs in PNAS, onderzochten zo ongeveer alle archeologische aanwijzingen voor vroege kippenhouderij (meer dan 600 opgravingen in 89 landen) samen met mogelijke afbeeldingen en schriftelijke bewijzen.

In Antiquity brengt deze week een groot, voornamelijk Brits onderzoeksteam verslag uit van nauwkeurige C14-datering van 23 kippenbotjes uit Europese opgravingen. Die dateringen bevestigen een oude argwaan van archeologen: kippenbotjes ‘migreren’ gemakkelijk tussen sedimentlagen en mogen dus eigenlijk niet worden gedateerd op basis van de aardlaag waarin ze gevonden worden. De datering van slechts vijf van de 23 botjes bleek in overeenstemming met de datering van hun aardlaag. Botjes uit Bulgarije die uit de late steentijd zouden zijn, Griekse botjes uit de ‘Bronstijd’, en botjes uit Marokko van ‘2700 jaar oud’: ze bleken allemaal módern of hooguit middeleeuws. En wat ook opviel: de eerste paar honderd jaar na verschijning in Europa zijn er op de botjes géén sporen van slacht te vinden en ook zijn de dieren vaak relatief oud als ze sterven.

Zij houden deze dieren voor hun vermaak en genoegen

Julius Caesar in De Bello Gallico

Volgens de onderzoekers vormen dat duidelijke aanwijzingen dat de kippen aanvankelijk als statussymbool werden gebruikt: exotische dieren uit verre streken, als teken van het machtige netwerk van de eigenaar. Een opmerking van de Romeinse veldheer Julius Caesar in zijn De Bello Gallico (ca. 50 v.Chr.) wijst daar ook op, aldus de archeologen. Volgens Caesar achtten de Britten het eten van hazen, ganzen én kippen een goddelijk taboe. „Zij houden deze dieren voor hun vermaak en genoegen.”

Toevallig kreeg ook deze week de Nederlandse archeoloog Jorrit Kelder (Universiteit van Oxford) te horen dat zijn analyse van de opkomst van de Gallus gallus domesticus in het Midden-Oosten later dit jaar gepubliceerd wordt in Mediterranean Archaeology. In dat artikel komt hij tot andere conclusies, zo vertelt Kelder telefonisch. De kip is al veel eerder in het Midden-Oosten en het Middellandse Zeegebied, denkt Kelder. „Ik zie duidelijke aanwijzingen in afbeeldingen in het Minoïsche Griekenland van 1800 voor Christus. Ook in Egypte zijn behoorlijk overtuigende afbeeldingen van kippen te vinden van 1600 voor Christus.” En Assyrische teksten over kraaiende hanen, uit ongeveer 700 v. Chr. gaan volgens Kelder waarschijnlijk terug op veel oudere overleveringen. Toch juicht Kelder het nieuwe onderzoek toe: „Supernuttig en superbelangrijk dat al die archeologische dateringen nu allemaal op een rijtje staan, eindelijk! Ik pleit echter wel voor het belang van ook andere bronnen, zoals afbeeldingen. Deze publicaties zijn niet het einde van een discussie, maar juist het begin.”