Opinie

Een week lezen op een eiland op de Balkan

Michel Krielaars

Ter voorbereiding op mijn vakantie op Korfoe lees ik over de Balkan en aarzel over de boeken die ik zal meenemen. Terwijl ik dat doe, moet ik ineens aan Otto von Bismarck denken. Decennia voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog zei de IJzeren Kanselier dat als er in Europa ooit nog een nieuwe oorlog zou uitbreken, deze het gevolg zou zijn van een onbeduidende gebeurtenis op de door nationalistische haat en nijd ontwrichte Balkan.

Om me opnieuw in die Balkan te verdiepen neem ik een boek mee van de Britse reisschrijver Patrick Leigh Fermor, die in de jaren dertig van Londen naar Istanbul liep. En natuurlijk pak ik Gerald Durrell in, die in diezelfde jaren op Korfoe woonde en daarover My Family and Other Animals schreef.

Maar nog het meest zie ik uit naar het lezen van Guido Snels Negen steden. Europa van Wenen naar Istanbul. Ik houd van dat genre boeken, waarin aan de hand van ontmoetingen met schrijvers en andere kunstenaars een cultuurgeschiedenis wordt verteld.

Het eerste boek dat ik in die categorie las was Donau (1986) van Claudio Magris. Sommigen vinden het een omgevallen boekenkast, maar als je de door Magris behandelde schrijvers enigszins kent, dan vallen geschiedenis en literatuur ineens op hun plaats. Zeker op de Balkan, waar de geschiedenis de politiek tot op de dag van vandaag bepaalt.

Grasduinend in mijn boekenkast en me afvragend wat ik nog meer zal meenemen naar Korfoe, stuit ik op Piet de Moors Grimmig heden (2007), dat ik indertijd heb verslonden. Veel van wat er in dit dagboek van de erudiete Belgische schrijver en Oost-Europakenner staat, kan zo op 2022 slaan. Zo noteert hij op 14 juli 2005: ‘Rusland is gevaarlijk: een gewond dier. Nog altijd even sinister en leugenachtig als voorheen, maar nu ook mateloos rancuneus en gefrustreerd, ontdaan van zijn kroonlandengewei, maar nog vol angst voor eventuele amputaties aan de rand van zijn kernland. Rusland wil niet met zijn verleden in het reine komen omdat het zo’n onderzoek als een vernedering ervaart. Dat verleden is een bodemloos moeras. Poetins Rusland is verkrampt, zonder mededogen, harteloos. Het heeft alle kenmerken van een dictatuur. Tegenover iedere afwijkende mening, van individu of groep, gedraagt het zich als een afgewezen en verongelijkte minnaar: eerst ontstemd, daarna mokkend en bokkend, daarna baldadig en handtastelijk. Om het te houden bij de eenvoudige formule van Michail Ryklin (de correspondent van Lettre): Rusland is innerlijk niet vrij. Ik zeg: poetinisme is autoritarisme met een gangsterhoedje op.’

Zie hier in een notendop de Russische geschiedenis van de afgelopen 22 jaar. De Moors wijsheid kun je alleen evenaren door in zo’n omstreden land rond te reizen, om je heen te kijken, met mensen te praten en erover te lezen.

In mijn stapels nog te lezen boeken stuit ik vervolgens op Entlang den Gräben. Eine Reise durch das östliche Europa bis nach Isfahan (2018) van de Duits-Iraanse schrijver Navid Kermani. Van zijn woonplaats Keulen reist hij via Polen, de Baltische landen en Belarus naar Oekraïne en Rusland om vervolgens via de Kaukasus naar Iran te gaan. Het klinkt verleidelijk. Maar zodra ik het bij de andere boeken in mijn koffer heb gedaan, besef ik ineens dat ik die stapel uitverkorenen nooit in een week zal kunnen lezen.