Je gaat op reis en mag maar één boek meenemen

Redacteur signaleert welke boeken er ook zijn verschenen en kiest er steeds zes om kort te bespreken. Deze week over te veel drinken na je pensioen, skiën zonder gps of telefoon en wandelen om te kunnen klagen.

1. Jaap Kranenborg: De ontgroening van een eerstejaars gepensioneerde

In De ontgroening van een eerstejaars gepensioneerde voert oud-docent en schrijver Jaap Kranenborg de geschiedenisleraar Maarten ten tonele (al is het voor tachtig procent autobiografisch, zei Kranenborg op Radio 5) die in een monoloog aan zijn vader vertelt hoe zijn eerste jaar als gepensioneerde is verlopen: het begon met een permanente vakantieroes (waarbij te veel gedronken werd), maar de leegstand van tijd werd al gauw gevuld met activiteiten als ‘leeswandelen’ (‘Na een hoofdstukje wandel ik weer verder’), vogels tellen, Eritrese statushouders onderwijzen en hoorcolleges psychologie volgen. Kranenborg koppelt de pensioenmonoloog van Maarten aan het leven van zijn eigen vader (‘Ik ga voor je rondkijken in het Nederland van nu en dat van vroeger’). In die persoonlijke verhalen over zijn vader en over zijn oudere broer Rogier die met een vergevorderd stadium van parkinson leeft, is Kranenborg op zijn best. Beschouwend en innemend tegelijk. De titel is wellicht een teaser voor iedereen die met pensioen gaat, maar voorbij de humor schuilt een serieuze verhalenverteller die de ‘pensioenparadox’ prachtig uiteenzet: je hebt nu zeeën van tijd, maar tegelijkertijd ervaar je het gevoel van schaarste omdat de laatste levensfase niet onzichtbaar is. Aanrader, ook voor wie niet met pensioen gaat.

Jaap Kranenborg: De ontgroening van een eerstejaars gepensioneerde. Spectrum, 296 blz. € 20,99

2. Italo Svevo: Een leven

De Triëstse schrijver Italo Svevo (1861-1928) werd in 1923 wereldberoemd door zijn derde, grootse roman La coscienza di Zeno (Bekentenissen van Zeno) waarin hoofdpersoon Zeno in psychoanalyse gaat om van het roken af te komen. Dat zijn eerste, eveneens psychologische roman Una vita (1892) niet dezelfde lof ontving, werd later gelukkig ingehaald en nu is de vierde druk van Een leven in vertaling van Frits Altvater verschenen. De jonge bedeesde Alfonso Nitti is ver van huis op de bank Maller komen werken en stikt van de heimwee. Zijn droom is als een rijk man terug te keren naar het dorp waar hij vandaan komt, maar een snelle promotie krijgt hij niet. Alleen op de soirees van de literaire ‘woensdagclub’, bij de bankdirecteur thuis en dan vooral bij zijn dochter Annette, begint hij zich steeds meer op zijn gemak te voelen. De droge manier om met rust en humor de employés te beschrijven, zou navolging vinden in bijvoorbeeld de indrukwekkende zevendelige romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil. Natuurlijk is het niet gezegd dat Voskuil deze roman heeft gelezen en is de setting anders (Alfonso Nitti is een beginneling terwijl Voskuils hoofdpersoon Maarten Koning hoofd van de afdeling was), maar de kantoorpolitieke taal leg je zo naast elkaar. Wanneer de 22-jarige Alfonso verliefd wordt op Annette (zij stelde voor samen een boek te gaan schrijven en van het een kwam het ander) loopt zijn leven uit de hand en wordt het uiteindelijk ondraaglijk: ‘in de beste omstandigheden had hij meer geleden dan anderen in de smartelijkste’. Zowel James Joyce als een van de belangrijkste Italiaanse dichters uit die tijd, Eugenio Montale, behoorde tot Svevo’s bewonderaars en zou bijdragen aan zijn roem. Absolute aanrader, ook al is het de opstap naar het magnum opus.

Italo Svevo: Een leven (Una vita). Vertaling Frits Altvater. Athenaeum, 406 blz. € 20,-.

3. Wim Huijser: Aan de wandel

Over J.J. Voskuil (1926-2008) gesproken: schrijver en biograaf (van C. Buddingh’) Wim Huijser maakte al eens een bloemlezing van ‘wandelfragmenten’ uit de wandelingen van Maarten Koning en zijn vrouw Nicolien, want ‘nergens wordt zoveel gewandeld als in het werk van J.J. Voskuil’. In het nu verschenen Aan de wandel gaat Huijser een stap verder: hij laat Maarten en Nicolien drieëndertig jaar later (Voskuil schreef tot in 1989 over hen) herleven en ze maken wandelingen waarbij we overpeinzingen en ergernissen van beide echtelieden kunnen herkennen. Natuurlijk zijn paden of lanen weer ‘mieters’ en kunnen ze ‘sikkeneuren’, maar voortgeduwd in hun tijd zetten ze zich nu ook af tegen ‘hordes teenslippers’ waarmee het opgekomen wandeltoerisme zich manifesteert. Ook aan de nieuwe technologie moeten Maarten en Nicolien geloven; waar Maarten in Het Bureau nog kennismaakte met de eerste bandrecorder, besluiten ze nu samen een laptop en mobiele telefoon te kopen. Als ze niet weten waarheen ze moeten wandelen, openen ze de ‘Wandelzoekpagina’, maar Nicolien vindt dat eigenlijk niets: ‘We hebben de kast vol staan met wandelgidsen. En je kan toch zeker ook zelf wel eens een rondje bedenken?’ Huijser, zelf schrijver van wandelgidsen, verstopt net als Voskuil mooie dubbele bodems in de gesprekken (zo geeft hij vriendelijke sneren naar zijn collega-wandelschrijvers). Het verst gaat hij daarin als hij Maarten en Nicolien het werk van Voskuil laat beoordelen (‘Voor mijn part noem je het inderdaad kantoorproza, maar geloofwaardig is het’ ). En als Maarten dan ook nog eens zegt zich ‘voor honderd procent thuis te voelen in de dialogen tussen de twee hoofdpersonen’ is dat waar Huijsers talent samenkomt; niemand kan Voskuil evenaren, maar de personages met blijk van kennis en gevoel voor understatement verder laten wandelen is ook een kunst.

Wim Huijser: Aan de wandel. Noordboek, 200 blz. € 16,90

4. Stine Jensen: De beloning

Sinds schrijver en columnist Stine Jensen zo’n zeven jaar geleden uit de wetenschap is gestapt (‘Ik had zuurstofgebrek op de universiteit, bevond mij in een prestatieklimaat waar alleen de besten de top halen’) is er meer rust en balans in haar systeem gekomen. Wat daar zeker bij helpt zijn de wandelingen met haar tweelingzusje op Texel; elk seizoen maken ze er dezelfde wandeling. In De beloning, verschenen in literaire wandelserie Terloops waarbij schrijvers ‘je meenemen op hun favoriete wandeling’, beschrijft ze aanstekelijk de wandeling van steeds 6 kilometer die steevast eindigt met koffie en appeltaart – de beloning. Onderweg ‘leent’ ze andermans ogen, bijvoorbeeld die van educatiebioloog Pierre Bonnet die met hen oploopt om een ‘gevoel voor de grond’ te krijgen, of filosofeert ze over gedachten van (noordelijke) schrijvers als Tove Jansson over de lichtheid van het bestaan of juist hoe zwaar verhalen kunnen zijn. Maar vooral benadrukt ze hoe prettig het is te wandelen in gezelschap van je tweelingzusje omdat je dan mag zwijgen, klagen of je aan elkaar mag ergeren: ‘Van alle personen op de wereld is zij degene bij wie ik me het minst anders hoef voor te doen’. Ben je van plan zelf deze wandeling te gaan maken, lees dan wel eerst dit fraaie boek(je).

Stine Jensen: De beloning. Een wandeling. Van Oorschot, 64 blz. 12,50

5. Franco Michieli: Hoe wegen wandelaars vinden

We blijven wandelen, maar nu op een bijna spirituele manier; de geograaf, natuurverkenner en schrijver Franco Michieli heeft jarenlange ervaring met (alleen) wandelen en skiën in de bergen. In 1998 begon hij dat te doen zonder landkaarten en navigatieapparatuur om te zien hoe de natuur om hem heen was. In Hoe wegen wandelaars vinden, oorspronkelijk in 2015 geschreven, gaat Michieli samen met een vriend de uitdaging aan Lapland in een maand te doorkruisen zonder enig hulpmiddel – dus geen horloge, telefoon, gps of anderszins. Op hun speciaal vervaardigde houten ski’s laten ze zich leiden door de natuur indachtig de Noor Fridtjof Nansen die tijdens zijn expeditie naar de Noordpool zijn schip Fram (‘vooruit’) overgaf aan de bewegingen van het ijs. Ook op de punt van de ski’s van Michieli en zijn vriend staat het woord ‘Fram’ om hen voorwaarts over de hellingen geluk te brengen. Michieli zet uiteen welke voorwaarden er aan zo’n reis zijn verbonden: je moet op de zon (ook al is die er soms niet) en de wind vertrouwen, je moet de kaart van het gebied minutieus in je hoofd hebben geprent – alle rivieren, meren, spleten, hoogteverschillen en meer – én je moet niet bang zijn te verdwalen. Als je dán de plek bereikt die je hoopte te vinden, is de verwondering en blijdschap vele malen groter dan dat je de gebaande paden met kaart of gps overgaat. Uitnodigend, maar ook onvoorstelbaar.

Franco Michieli: Hoe wegen wandelaars vinden. Het plezier van verdwalen. (La vocazione di perdersi). Vertaling Philip Supèr. Wereldbibliotheek, 112 blz. € 18,99

6. Stephen Graham: Het geluk van de wandelaar

‘Het is een edele kunst; weet hoe je moet wandelen en je weet hoe je moet leven. De manieren maken de man, en het wandelen maken de manieren’. Het zijn de eerste zinnen uit het in 1926 verschenen Het geluk van de wandelaar van de Britse journalist en schrijver Stephen Graham (1884-1975), die zich als ‘jongeman’, geïnspireerd door Dostojevski, aangetrokken voelde tot de ‘gewone Russische man’. In het voorwoord schrijft Mathijs Deen hoe Graham in 1908 Londen verliet en op zoek ging naar die gewone man. Hij doorkruiste de gehele Kaukasus, liep 1250 kilometer van Archangelsk naar Moskou en hij liep de kust van de Zwarte Zee langs naar Constantinopel. De verhalen zijn vooral heel praktisch en heel geestig; over schoenen, juist het grote belang van kaarten en wat je moet doen als je tot op het bn ot verregend bent (‘Er moet een groot vuur komen met laaiende vlammen waar je daadwerkelijk van opdroogt. Het kan lukken, omdat het niet mag mislukken’). Verder mag je maar één boek meenemen anders wordt de plunjezak te zwaar. Er volgen meteen wat titels: voor ‘de wandelaar die zich moreel verder ontwikkelt’ beveelt hij Peer Gynt van Hendrik Ibsen aan (‘Je kunt het tien keer lezen en dan nog zul je de poëzie en de denkbeelden die daarin zijn vervat nog steeds niet helemaal hebben doorgrond. Het is een schitterend boek des levens’). Mooi uitgegeven en zeker een aanrader.

Stephen Graham: Het geluk van de wandelaar. (The Gentle Art of Tramping). Vertaling Paul van der Lecq. Uitgeverij Oevers, 238 blz. € 21,-.