Ineke Sluiter: „Ik zei tegen mijn moeder: ‘Er zijn niet veel vrouwelijke hoogleraren maar jij hebt er toch maar mooi twee voortgebracht.’”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Scheidend KNAW-president Ineke Sluiter: ‘Het was een uitdaging om met de maatschappij in gesprek te blijven’

Ineke Sluiter | President van de KNAW

Hoogleraar Griekse taal- en letterkunde Ineke Sluiter was tijdens de coronacrisis het boegbeeld van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Een tijd die het belang van wetenschap onderstreepte, zegt ze. „Al was het een uitdaging om met de maatschappij in gesprek te blijven.”

We staan er te weinig bij stil, zegt Ineke Sluiter. Maar het is echt bijzonder hoe goed Nederlandse universiteiten internationaal scoren. „Al onze universiteiten horen bij de beste tweehonderd van de wereld. Bedenk even dat er twintigduizend universiteiten bestaan. Al onze universiteiten zitten bij die ene hoogste procent. Dat is een ongehoorde prestatie. Geen land doet ons dat na.”

Haar eigen Leidse opleiding ‘Classics’ waar Sluiter al vijfentwintig jaar aan verbonden is, staat wereldwijd zelfs op een vierde plaats. Alle reden tot trots dus voor de scheidend president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). En toch lag de wetenschap de afgelopen twee jaar van haar presidentschap meer dan ooit onder vuur. Toen Sluiter twee jaar geleden aantrad, leek haar opdracht nog redelijk overzichtelijk. Ze zou zich sterk maken voor een betere financiering van de wetenschap in Nederland. „En het ging over andere kwesties: willen we alle colleges in het Engels? En willen we wel of geen buitenlandse studenten? Daar wilde ik graag twee jaar mijn vrolijke energie in steken.” Maar corona doorkruiste alles. En Sluiters vrolijke energie als boegbeeld van de KNAW bleek meer dan noodzakelijk. De coronacrisis bood volgens haar een uitgelezen mogelijkheid om het belang van wetenschap te laten zien. „Het is een onvoorstelbare wetenschappelijk prestatie geweest dat er binnen een jaar verschillende werkzame vaccins ontwikkeld zijn.”

Toch klonk ook al snel de stem van het wantrouwen in de wetenschap.

„Vooropgesteld: het vertrouwen in de wetenschap is in Nederland altijd hoog geweest. Dat is nog steeds zo, blijkt uit verschillende onderzoeken. Als je toch wantrouwen hoort, dan komt dat omdat het voor buitenstaanders best moeilijk is om te begrijpen hoe wetenschap werkt. Iedereen stond er zo dicht bovenop, dat ze ook alle debatten en onzekerheden die bij de wetenschap horen meekregen. Waardoor je kon gaan denken: weten die wetenschappers zelf het eigenlijk wel zeker? Nee, natuurlijk wisten we niet alles zeker.” Dat gevoel werd versterkt door discussies in praatprogramma’s waar dissidente denkers vaak alle ruimte kregen om hun standpunten te verdedigen. Het leidde tot een vertekend beeld, denkt Sluiter. „Als je iemand die hooguit een procent van de wetenschap vertegenwoordigt tegenover iemand zet die staat voor de overtuiging van negenennegentig procent van de wetenschap suggereer je dat dat gelijke grootheden zijn. Ten onrechte. Natúúrlijk kan een eenling het goed zien. Maar wetenschap is een proces waarbij experts met elkaar in debat zijn, argumenten wegen en uiteindelijk tot de overtuiging komen dat er zoveel bewijs is dat dít nu het wetenschappelijke standpunt is. Op zeker moment tekent zich een consensus af. Maar altijd na uitwisseling van standpunten die elkaar aanvankelijk natuurlijk ook tegen kunnen spreken. Zo werkt wetenschap.”

Toch valt het met dat wantrouwen in de wetenschap ook erg mee, zegt Sluiter. „Het vertrouwen in de wetenschap is bij veel mensen juist enorm toegenomen, mede door die snelle ontwikkeling van vaccins. Wetenschap is nog steeds de hoogst scorende beroepsgroep als het gaat om vertrouwen.”

De snelheid waarmee de vaccins werden ontwikkeld was in de ogen van sceptici juist een teken aan de wand. Zoiets ingewikkelds kon nooit in zo’n rap tempo ontwikkeld zijn. Maar de mRNA-techniek is al bijna dertig jaar oud, weet Sluiter. „Anders had het nooit zo snel gekund. Daarom is het zo belangrijk dat er voortdurend fundamenteel wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt. Mensen proberen iets, terwijl het ogenschijnlijk nog nergens goed voor is. En op een dag heb je er plotseling wel iets aan. Wat dacht je van mensen die zich verdiepen in Russische geschiedenis? ‘Wat hebben we daaraan?’, wordt er dan geroepen. Opeens hebben we die mensen hard nodig om uit te leggen hoe het kan dat daar zo gedacht wordt. Als je nu pas zou beginnen met je daarin te verdiepen loop je hopeloos achter de feiten aan.’

Dus het zijn eigenlijk twee triomfjaren voor de wetenschap geweest?

„Als je kijkt naar de wetenschappelijk resultaten zeker. Het was alleen wel een uitdaging om met de maatschappij in gesprek te blijven.”

Leunde de politiek niet te veel op de wetenschap? Het leek soms alsof het Outbreak Management Team het land bestuurde, in plaats van het kabinet.

„Die beeldvorming vind ik inderdaad erg ongelukkig. In de persconferenties werd te vaak gezegd: wij volgen 100 procent de wetenschap. Dat hoort niet zo. Wij hebben dat als KNAW ook al vroeg gezegd: let op de rolverdeling; de een adviseert, de ander neemt de beslissingen. De wetenschap presenteert scenario’s, maar de politiek moet verantwoordelijkheid nemen voor het beleid. Zij zijn gekozen, zij hebben het mandaat gekregen van de kiezer.”

In persconferenties klonk te vaak: ‘wij volgen 100 procent de wetenschap.’ Dat hoort niet zo.

Is het niet logisch dat historicus Rutte luistert naar virologen en epidemiologen?

„De viroloog en de epidemioloog lichten slechts voor. Je moet als politicus de moed hebben om te zeggen: en toch beslis ik dat dit nu gaat gebeuren.” Ze moest als KNAW-president regelmatig op de bres voor collega’s die werden bedreigd. Sluiter hield nauw contact met ze.

U zei: het schort ook aan solidariteit tussen wetenschappers onderling.

„Zeker. De impact van die bedreigingen was extra groot omdat iedereen thuis zat. Je natuurlijke netwerk waarin je je erkend en gezien voelt is dan opeens weg. En als dan iemand een sticker op je voordeur plakt met ‘deze locatie wordt geobserveerd’, dan is dat heel griezelig en intimiderend. Dan moet je als collega’s massaal laten weten dat dit onacceptabel is. En al helemaal geen foute opmerkingen maken. ‘Moest je weer zo nodig op televisie?’ Dat is blaming the victim. Of wat dacht je van: ‘Ja, maar dat wás ook wel heel uitgesproken van je’.” Opeens fel: „Kom nou! Dat is een wétenschapper die daar iets van afweet. Mág die misschien iets zeggen?”

Hoe zou u ‘wetenschap’ eigenlijk definiëren?

„Wetenschap is het georganiseerde proces van het verwerven van kennis en inzicht.”

Robbert Dijkgraaf zei: ‘Wetenschap is zoeken naar het begin van het plakbandrolletje.’

„Dat is een mooie. Zeker voor zijn vakgebied. Als ik kijk naar mijn eigen onderzoeksprogramma ‘anchoring innovation’ (over hoe grote vernieuwingen in de oudheid waren verankerd in het vertrouwde, en wat dat betekent voor innovaties nu) zie ik het als taak bepaalde ideeën bij te stellen. Bijvoorbeeld dat ‘innovatie’ vooral bij technici en medici hoort. Innovatie speelt net zo goed in de kunst, filosofie, psychologie. En altijd is de mens belangrijk, ook bij technische vindingen. Kijk naar de introductie van de elektrische auto. Die is ongeveer gelijktijdig uitgevonden met de benzinemotor. Alleen speelde ‘milieu’ toen nauwelijks een rol. Nu zijn er heel goede redenen voor elektrische auto’s. En wat zie je? Oplaadpalen in de vorm van een benzinepomp. Compleet met vulpistool dat je in die auto steekt. Innovatie verankerd in iets dat vertrouwd is. Dan snappen mensen het meteen. Keizer Augustus was de eerste keizer. Maar hij zei dat hij de republiek had hersteld. Dat snapten de mensen en het klonk vertrouwd. Daardoor leek het alsof-ie terugging in de tijd. Make America great again. Naar welke periode grijpt dat terug? Naar een niet gedefinieerd moment waarop de touwtjes nog uit de brievenbus hingen. Dat spreekt mensen aan.’

U zei ooit: „Voor mij is de oudheid een vrijbrief om na te gaan denken over álles. Want alle grote vragen die mij interesseren, kan ik daar zien.” Welke grote vragen?

„Alle grote vragen van het menselijk bestaan: leven, dood, vriendschap, oorlog en vrede. ‘Hoe moet je leven?’ is dé grote filosofische vraag uit de oudheid.”

Ineke Sluiter groeide op in een gezin van vier kinderen. Haar vader was vertegenwoordiger „in van alles”. Haar jongste, vroeggestorven zusje Mirjam had het syndroom van Down, de andere zussen konden stuk voor stuk goed leren. Ook haar zus Judith werd hoogleraar. „Ik feliciteerde mijn moeder daar een keer mee: ‘Er zijn niet veel vrouwelijke hoogleraren maar jij hebt er toch maar mooi twee voortgebracht’. Mijn moeder antwoordde: ‘Dat hadden er vier kunnen zijn’. Ik zei: ‘Maar mam, Mirjam had toch Down-syndroom?’ ‘Ach,’ zei ze, ‘een klein beetje maar.’”

Inmiddels is Ineke de enige uit het gezin die nog leeft: haar vader overleed al toen ze zeventien was. Haar zus Mirjam stierf als baby, Marijke kwam in 1992 om bij een auto-ongeluk en Judith overleed vier jaar geleden aan kanker. „Mijn grootste opdracht was de laatste jaren om te zorgen dat ik mijn moeder zou overleven. Want ook haar laatste kind verliezen zou echt te erg voor haar geweest zijn.” Ineens was ze in haar eentje mantelzorger. „Wel met hulp, hoor. Ik heb in die periode veel geleerd over de druk op de thuiszorg. Vaak vrouwen van goede wil die zo onder tijdsdruk staan dat ze zich niet altijd meer realiseren hoe belangrijk die zorgmomenten zijn. Het gaat er niet om dat iemand calorieën krijgt toegediend, maar een mááltijd geserveerd krijgt. Met een praatje.”

Haar moeder stierf vorig jaar, op Eerste Kerstdag. Toch is ze er niet somber over. „Voor mij zijn ze er allemaal nog. Laatst vroeg iemand: ‘Als jij kon kiezen met wie je eens een avond kon eten en praten, dan zou jij natuurlijk Socrates kiezen.’ Ik viel werkelijk van mijn stoel. ‘Nee joh, m’n grootmoeder natuurlijk!’ Dat was een geweldig mens. Ik draag ze echt allemaal nog bij me. Vorig jaar overleed mijn leermeester Dick Schenkeveld. Daar was ik enorm door geschokt. Tegelijkertijd weet ik dat ik hem niet kwijt ben.”

Hebt u op zulke momenten van verlies ook iets aan uw vak?

„Oh zeker. Als je mijn studie doet, denk je sowieso veel na over de mens en je plaats in de wereld. Dit vakgebied helpt mij in het omgaan met verdriet. Bovendien zag ik aankomen dat het zo zou gaan. Ik ben een scenariodenker; er kan mij weinig overkomen waar ik nog nooit aan heb gedacht. Het belangrijkste is dat ik met ongelofelijk veel plezier terugkijk op het feit dat ik geweldige zussen heb gehad, lieve ouders en een onvergetelijke leermeester. Daar past echt geen zelfmedelijden bij.”

Een paar maanden geleden stapte stamcelbioloog Hans Clevers over naar het bedrijfsleven. Hij werd het nieuwe hoofd van de onderzoeksafdeling van de Zwitserse farmaciereus Roche. Wat dacht u toen u dat hoorde?

„Hans heeft een zuivere keuze gemaakt. Wij willen als maatschappij tegenstrijdige dingen van de wetenschap: we willen kennis waar we iets aan hebben. Maar we gaan niet met publiek geld medicijnen ontwikkelen. Zoveel publiek geld is er helemaal niet. Daarvoor ben je dus aangewezen op de industrie. Je kunt prima samenwerken met de farmaceutische industrie zolang je maar kunt aantonen dat het wetenschappelijke deel daadwerkelijk onafhankelijk is. Zodat je resultaten mag publiceren, en zo nodig de stekker eruit mag trekken. Soms wordt het te ingewikkeld om dat te blijven scheiden. Dan kun je ervoor kiezen in dienst van de industrie te treden. Dat is een cleane beslissing.’

Snapt u dat dat toch moeilijk uit te leggen is?

„Dat snap ik heel goed. Die discussie moeten we dus ook voeren. Ik heb met Hans bij zijn vertrek nog wel een debat gehad omdat hij verontwaardigd was dat er zoveel toeters en bellen zitten aan samenwerking met de industrie. Ik heb toen betoogd dat die toeters en bellen er niet voor niets zijn. Daarmee proberen we de onafhankelijkheid van de wetenschap te garanderen. Maar mensen moeten zich realiseren dat er zonder samenwerking met de industrie geen medicijnen komen. Wat dat betreft zijn Hans en ik het helemaal eens.”

Is het een goed idee om af te spreken dat wetenschappers niet aan hun vinding mogen verdienen?

„Er is op dit moment een uitvindersregeling waardoor mensen er zelf iets aan verdienen. Een ander deel gaat naar de universiteit. Er is geen enkele reden waarom een wetenschapper disproportioneel zou moeten verdienen aan iets dat hij met publiek geld ontwikkeld heeft. In vaste dienst, inclusief vakantiedagen en een dertiende maand, zonder enig persoonlijk risico. Wij zeggen toch ook niet als het misgaat: leg zelf even bij. Tegelijkertijd wil je die topmensen graag behouden. En je wil ook niet dat de industrie er met de winst vandoor gaat. Je wil juist dat een deel van die verdiensten weer terugvloeien in het onderzoek. Dat moet goed geregeld worden. In het aanjagen van die discussie ligt beslist een rol voor de KNAW.”

Wat is voor u de schoonheid van wetenschap?

„De flonkering van ideeën. Dat je opeens ziet hoe het zit. Het geluk dat je voelt als je opeens een oud-Griekse tekst ontcijfert. Vaak gaat het om iets heel technisch dat maar weinig mensen zal raken. Maar je doet je best om een stem uit de oudheid recht te doen en dat mij geeft enorme voldoening. Ik denk dat ook weleens bij iets wat ik zelf opschrijf. Wie zal dit later bezighouden? Maar misschien is er ooit wel iemand die over eeuwen mijn tekst bekijkt, en dan denkt: wat dacht die vrouw toen ze dit opschreef? Dat vind ik een adembenemende gedachte.”