‘Zoo iets van apepokke’

Woord Het woord apenpokken heeft drie betekenissen en bestaat sinds 1901, ontdekt .

Het apenpokkenvirus dat nu in toenemende mate voor onrust zorgt, werd in 1958 ontdekt door de Deense viroloog Preben von Magnus (1912-1973). Hij vond het in een onderzoekscentrum bij apen, vandaar de naam.

Dit doet vermoeden dat het woord apenpokken eveneens van 1958 dateert, maar dat is niet zo. „Er heerscht te Semarang op ’t oogenblik een kwaadaardige, lastige huidziekte onder de kinderen beneden de zes jaren, zoowel van europeanen als van chineezen en inlanders”, meldde De Preanger-bode in 1901. „Enkele families noemen de ziekte: apenpokken.”

Het gaat hier om de huidziekte impetigo, in Nederland bekend onder de namen krentenbaard of kinderzeer, maar op Aruba, Bonaire, Curaçao en in Suriname nog vaak apenpokken genoemd. En voorheen dus ook in wat toen Nederlands-Indië heette.

Daar ging het Nederlands z’n eigen weg. Oude woorden kregen een nieuwe betekenis en er ontstonden veel nieuwe woorden. In 1903 gaf de taalgeleerde F.P.H. Prick van Wely (1867-1927) daar in Batavia een lezing over, getiteld „De Verindisching van ons Nederlandsch”. Hij stelde onder meer vast dat jongen in Indië „bediende” betekende en meid „soms bijzit”, dus: maîtresse. Ook somde hij allerlei in Indië gangbare woorden op die ontbraken in de Dikke van Dale. Hij noemde niet alleen apenpokken, maar eveneens besmetverklaring, buiklijder, buikziekte, knokkelkoorts en ziekteverlof.

Het duurde even voordat het woord apenpokken de oversteek naar het moederland maakte. In de eerste decennia van de 20ste eeuw vinden we het alleen in Nederlands-Indische dagbladen. De eerste Hollandse krant die het gebruikte is de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In een artikel getiteld „Cosmopolitische huidziekten in de tropen” schreef die krant in 1923: „Bij Europeesche kinderen vindt men dikwijls een aandoening die moet worden opgevat als een impetigo bullosa. […] Deze aandoening draagt den eigenaardigen naam van apenpokken.”

Tegen die tijd werd apenpokken door Nederlandse soldaten in Indië gebruikt voor ‘vreselijke ziekte’. Dat weten we dankzij een verhaal uit 1918 over een rekruut die door zijn makkers wordt meegetroond naar een „soldatenbordeel”. Hij loopt een ziekte op en sterft. Zijn moeder informeert per brief naar de doodsoorzaak. Zij krijgt als antwoord: „Zoo iets van apepokke.”

Ook díe betekenis maakte de oversteek naar het moederland, namelijk in de verwensing: krijg de apenpokken. Met zo’n verwensing bedoel je iets ergs – niet een huidziekte die eenvoudig te verhelpen is met een zalfje.