Recensie

Recensie Muziek

Een goed gespeeld ‘Requiem’ van Verdi dat lijdt onder slecht gekozen zangers

Klassiek In Den Haag klonk onder Anja Bihlmaier een degelijk ‘Requiem’ van Verdi. Maar hoe goed je ook musiceert, als je zangers gebreken hebben, is het een vermoeiende zit.

Het Residentie Orkest onder leiding van chef Anja Bihlmaier speelde een verdienstelijk Requiem van Verdi.
Het Residentie Orkest onder leiding van chef Anja Bihlmaier speelde een verdienstelijk Requiem van Verdi. Foto Eduardus Lee

Onder leiding van chef Anja Bihlmaier speelde het Residentie Orkest vorige week een verdienstelijk Requiem van Verdi. Fijn: het ‘Dies irae’, toch het stukje ultieme klassieke-muziek-onweer waar je je in de foyer op verheugt en dat al snel komt, klinkt lékker. Strak, in een gelijkmatig voorspelbaar tempo zodat je jezelf veilig achter de grote trom kunt fantaseren voor die dreunende syncopeslag. Het koude licht dat in concertzaal Amare het podium verlicht, scherpt alles nog eens aan. Dat gelijkmatige en voorspelbare houdt Bihlmaier de hele avond vol. Degelijk, stevig, met (soms net iets te) weinig ruimte voor zwierigheid.

Een koor moet in de nieuwe zaal vanaf het eerste balkon boven het podium zingen, wat in de toch al directe zaal-akoestiek (de nagalm dempt opvallend snel tot een sudderniveau en blijft daarna pas kort hangen) extra ‘eerlijk’ klinkt; het koor Laurens Symfonisch kan daar uitstekend mee omgaan. Hun stuk a capella in het ‘Libera me’ bijvoorbeeld klinkt prachtig gedragen spannend.

Lees ook dit interview met Anja Bihlmaier: ‘Ik ben zo’n type dat vindt dat je alles moet doen, en ook nog goed’

Maar orkest en koor kunnen nog zo verdienstelijk spelen zingen en spelen, als er vier zangers voor staan van wie de stemmen niet bij elkaar passen en die in duetten en kwartetten ook nog eens nauwelijks naar elkaar willen luisteren, dan is het voor het publiek moeilijk aandacht vast te houden. Guanqun Yu heeft een mooie, heldere sopraan, maar haar grillige vibrato glijdt dikwijls naar boven en onder uit. Oksana Volkova is daarnaast een extreem dramatische mezzosopraan, wier stem in de laagte breekt naar een rauwe grom en die, en dat is het vervelendst, niet articuleert. Ze maakt nauwelijks onderscheid tussen klinkers, medeklinkers slaat ze domweg over. Haar ‘Liber scriptus’ lijkt wel een opwarm-oefening.

Tenor Matteo Lippi komt nog het best uit de verf, al kent hij maar twee kleuren: of met valse lucht smekend zacht of met een geknepen keel keihard. Bas-bariton Milan Siljanov heeft een mooie milde klank, maar zingt verontschuldigend. In zijn ‘Confutatis’ verwacht je elk moment een tussenzinnetje als ‘mits het u uitkomt hoor’. Het vermaakt, maar niet op de meest wenselijke manier.