Een luchtfiets uit 1932 en de nieuwste generatie strandbeesten

bespreekt ontwerpen die op elkaar lijken. Nu de luchtfiets van Tatlin uit 1932 en een vliegend strandbeest van Theo Jansen.

Strandbeest uit het Volantum (2020-2021) van Theo Jansen in Kunstmuseum Den Haag
Strandbeest uit het Volantum (2020-2021) van Theo Jansen in Kunstmuseum Den Haag Foto’s Herman Bunzing

‘Ik vlieg!”, roept de Russische plattelander Jefim in de proloog van Andrej Roebljov , de film van Andrej Tarkovski over Ruslands beroemdste iconenschilder. In dit magistrale epos over kunst in troebele tijden liet Tarkovski Jefim op het Russische platteland de eerste luchtballonvaart maken, bijna vier eeuwen voordat de gebroeders Montgolfier dit echt deden op 4 juni 1783 in het Franse stadje Annonay. Vanuit een toren stapt Jefim in de rommelige touwen van de luchtballon en ziet vervolgens schapen en paarden onder zich wegrennen. „Ik vlieg!”, roept hij herhaaldelijk verrukt – tot het misgaat.

Jefims ballonvaart is ongetwijfeld een ode aan Vladimir Tatlin, de Oekraïense aartsvader van het constructivisme die wilde vliegen. Toen Andrej Roebljov na een jarenlange strijd met de Sovjetcensor in 1971 uitkwam, lag Tatlins werk, voor zover het nog bestond, als verboden kunst te verstoffen in de kelders van Russische musea. Veertig jaar eerder was het constructivisme in ongenade gevallen in Stalins Sovjet-Unie en had Tatlin zich teruggetrokken in het verlaten Nieuwe Maagdenklooster in Moskou. Jarenlang werkte hij daar aan een vliegtuigje van houten staven en lappen stof dat hij de Letatlin doopte, een samentrekking van ‘letat’, het Russische woord voor vliegen, en zijn eigen achternaam. Drie Letatlins, waarin de vliegenier liggend op zijn buik de vleugels op en neer moest bewegen, bouwde hij. Berekeningen die erop wezen dat er zes menskrachten nodig zijn om zijn luchtfiets van de grond te krijgen, negeerde ‘de heilige gek’, zoals andere constructivisten Tatlin noemden. Vliegen was iets dat je moest leren, net als zwemmen, was Tatlins antwoord op de voorspelling dat zijn Letatlin nooit zou vliegen. Als scholen een paar uur vliegles per week gaven, zou de mens binnen afzienbare tijd een vogel zijn, geloofde hij.

Replica van de Letatlin van Vladimir Tatlin, in de Royal Academy, Londen, 2017

Foto’s Herman Bunzing

Volantum

Geen van de Letatlins heeft ooit gevlogen en er resteert slechts een enkel gebogen stuk hout van. Wel zijn er de afgelopen decennia verschillende replica’s vervaardigd die te zien waren op tentoonstellingen over de Russische avant-garde. Onveranderlijk hing Tatlins vliegtuigje daar boven de hoofden van de bezoekers. Precies zo hangt nu Ader, een van de vliegende strandbeesten van de Nederlandse kunstenaar Theo Jansen, in de hal van het Kunstmuseum Den Haag als onderdeel van de tentoonstelling Theo Jansen. Strandbeesten, de nieuwe generatie.

Al ruim dertig jaar maakt Jansen strandbeesten, veelpotige, meer dan menshoge constructies van pvc-buizen die tot leven komen als de wind waait en dan over het strand lopen. In de loop van slechts enkele decennia zijn de strandbeesten geëvolueerd tot verschillende soorten. Als een taxonomist heeft Jansen ze Latijnse namen gegeven als ‘Animaris Vulgaris’, ‘Animaris Rhinoceros’ of ‘Mater Extensa’.

In de twee coronajaren is een nieuwe, vliegende soort ontstaan. ‘Volantum’ heeft Jansen het korte coronatijdperk daarom gedoopt. Echt vliegen doen de strandbeesten uit het Volantum niet, ze zijn geen vogels, meer vliegers. Maar aangezien de evolutie van de strandbeesten razendsnel gaat, zal er binnen afzienbare tijd ongetwijfeld een echt vliegende soort ontstaan. Hiermee kan Jansen dan als een vogel over het strand zweven en, net als Jefim, uitroepen: „Ik vlieg!”

Theo Jansen. Strandbeesten, de nieuwe generatie. T/m 3 juli in Kunstmuseum Den Haag