Reportage

In Jodensavanne hadden de slaven op sabbat vrij

Portugees-Joodse nederzetting in Suriname Duizenden slaven werden in en rondom Jodensavanne uitgebuit en mishandeld. Joodse vluchtelingen hadden het er relatief beter.

Onderzoeker Mark Ponte bij de Beth Haim (Huis der Levenden) begraafplaats op Jodensavanne waar de joodse planters en hun familieleden begraven werden.
Onderzoeker Mark Ponte bij de Beth Haim (Huis der Levenden) begraafplaats op Jodensavanne waar de joodse planters en hun familieleden begraven werden. Foto’s Idi Lemmers

De frisse ochtendzon schijnt door de boomtoppen die een welkomstboog vormen boven een uitgestrekt pad dat naar Jodensavanne leidt. Deze Portugees-Joodse nederzetting aan de Suriname-rivier, zo’n 50 kilometer ten zuiden van Paramaribo, was tussen de 17de en 18de eeuw een bloeiend dorp, omringd door 150 plantages waar duizenden slaafgemaakten werkten. Nu is het er verlaten, deels overwoekerd door oerwoud, met verderop gelegen de ruïnes van een synagoge en de resten van eeuwenoude begraafplaatsen.

De rust wordt plotseling verstoord als in de verte een ronkende SUV komt aanrijden. Mark Ponte (42) stapt uit, een historicus uit Amsterdam gespecialiseerd in 17de- en 18de-eeuwse (koloniale) geschiedenis. „Het is hier drassig van de regen”, zegt hij voorzichtig naar het informatiebord bij de ingang lopend.

Ponte doet bij het stadsarchief Amsterdam onder meer onderzoek naar het eeuwenoude, notariële archief van de hoofdstad, dat nu gedigitaliseerd wordt. Hij is in Suriname ter voorbereiding op een expositie in Alkmaar, later dit jaar, over de gelijknamige suikerplantage in district Commewijne. En hij is betrokken bij een geplande samenwerking tussen het stadsarchief van Amsterdam en het Nationaal Archief van Suriname, waarover burgemeester Femke Halsema deze week in Suriname verdere afspraken maakt.

Levendig netwerk

Vlak voor zijn terugkeer naar Nederland brengt Ponte, deels opgegroeid in Suriname, nog snel een bezoek aan Jodensavanne. Een bijzondere plek waar ooit mensen woonden wier testamenten en documenten, en soms zelfs handgeschreven briefjes, hij al jaren onder ogen krijgt en bestudeert. Ponte: „Er was een levendig netwerk tussen de Portugees-Joodse gemeenschap in Amsterdam en hier op Jodensavanne, maar ook met Brazilië, Cayenne [hoofdstad van Frans-Guyana] en de rest van het Caribisch gebied. De notariële akten en testamenten geven een helder beeld van gemaakte keuzes, hoe relaties liepen en wat hen bezighield.”

Hij leest op het informatiebord het verhaal van David Cohen Nassy, oprichter van Jodensavanne. Over hem vond hij veel documenten in Amsterdam. Jodensavanne was uniek voor sefardische Joden in de koloniale tijd. Op de vlucht voor de inquisitie in Spanje en vervolgens opgejaagd vanuit Brazilië en Cayenne kregen ze hier van het koloniale bewind grond toegewezen om zich te vestigen, en de vrijheid om hun godsdienst te beleven. Zo hoopte de koloniale overheid meer planters aan te trekken en dat de kolonie zou ‘bloeien’. De vrijheid en kansen voor de een betekende de onvrijheid van de ander. De plantage-economie dreef op slavernij en slavenhandel: duizenden slaven werden in en rondom het dorp Jodensavanne uitgebuit en mishandeld.

Ponte: „Er was geen plek in Zuid-Amerika waar de Joden in die tijd meer vrijheid en privileges hadden dan hier. De gouverneur had toegestemd slaafgemaakten op zondag te laten werken en de sabbat (zaterdag) vrij te geven. Maar een gelijkwaardige samenleving was het absoluut niet.”

Godsdienstvrijheid

In de archieven vond hij bestellijsten van David Cohen Nassy voor slaven, bestemd voor plantages bij Jodensavanne. „We weten dat Nassy hier terechtkwam via Cayenne, met sefardische Joden die op de vlucht waren. Daarvoor was de groep in het noorden van Brazilië terechtgekomen, waar de Nederlanders tijdelijk de macht hadden en er godsdienstvrijheid was.”

Onder Maurits van Nassau, tussen 1636 en 1644 gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië, trokken veel Portugese Joden vanuit Amsterdam naar Brazilië om er suikerplantages op te richten. In Recife werd in 1636 de eerste synagoge van het continent gebouwd. Toen de Portugezen Brazilië vervolgens veroverden, sloegen de Joodse planters weer op de vlucht.

Mark Ponte bij plantage Alkmaar op een steiger aan de Commewijne-rivier waarlangs in de 18de eeuw meer dan 100 plantages waren gevestigd. Foto Idi Lemmers

„De familiebanden tussen al deze landen bleven bestaan. David Cohen Nassy woonde hier op Jodensavanne maar onderhield handelsbetrekkingen met Amsterdam waar veel familie woonde. En hij had belangen in plantages in Brazilië via zijn vrouw Rebecca Drago”, vertelt Ponte.

Nassy had een zwarte dochter, Debora, verwekt bij een Afrikaanse vrouw. „Ik vond diverse aktes en documenten van Debora Nassy. Ze wordt soms mulata genoemd. Ze was de dochter van David Cohen Nassy en een zwarte bediende, maar had in Amsterdam een vrije status. Ze werkte als dienstbode bij de familie Belmonte, een van de grote slavenhandelarenfamilies. Toen Debora zich met de familie Nassy in Suriname vestigde, liet ze in een door mij gevonden akte vastleggen dat ze een vrije vrouw was. Ze was bang dat ze,eenmaal terug in de kolonie weer als slavin te werk zou worden gesteld.”

Ponte ontdekte door zijn onderzoek in het stadsarchief al eerder dat er in het 17de-eeuwse Amsterdam een levendige, kleine, zwarte gemeenschap was waartoe ook Debora Nassy behoorde. Ze woonden in de Jodenbreestraat, in de buurt van Rembrandt, die zijn zwarte buurtbewoners schilderde en tekende. Ponte stelde in 2020 in het Rembrandthuis de expositie HIER Zwart in Rembrandts tijd mede samen. „Daarin hebben we huwelijksakten getoond van bijvoorbeeld zwarte matrozen die voeren op WIC-schepen en in Amsterdam terechtkwamen, en trouwden met zwarte vrouwen die meekwamen naar Amsterdam met plantage-eigenaren uit Brazilië. Formeel bestond in Amsterdam geen slavernij, ze kregen hier de status van bediende of huishoudster.”

Rondom een open stuk op Jodensavanne staan iets meer dan dertig graftekens van bruinhart hout met hartvormige symbolen aan top. Boven sommige grafpalen zijn puntdakjes geplaatst van rood zinkplaat, ter bescherming tegen zon en regen. Het is de Nengre ber’pe, de zwarte-mensenbegraafplaats. Hier werden de kinderen en nazaten begraven van Joodse slavenhouders die waren verwekt bij hun slaafgemaakte Afrikaanse vrouwen. Ze waren geen volwaardig lid van de Joodse gemeente en lagen op een aparte begraafplaats. Er zijn bekende Surinaamse achternamen te lezen zoals Belliot, Druiventak en Wijngaarde.

Mark Ponte buigt zich voorover en leest: ‘Abraham Garcia Wijngaarde, geboren op 10 april 1828 in slavernij en overleden als vrij man in 1915. Zoon van Annaatje van la Parra die in slavernij was geboren als dochter van een Joodse plantagehouder’. In de achternaam: Annaatje van la Parra, zegt Ponte, zie je ook duidelijk de machtsverhoudingen terug. „Het geeft aan dat ze van iemand was, dus ‘eigendom’ in dit geval van La Parra.”

Huis der Levenden

Bladeren ritselen onder zijn schoenen als Ponte richting rivier loopt, naar begraafplaats Beth Haim (Huis der Levenden), waar de Joodse planters en hun familie begraven werden. Het heeft de laatste dagen flink geregend, de grond oogt modderig maar voelt op sommige plaatsen droog aan. Hier liggen grafstenen met namen als Del Castilho, Robles de Medina en La Parra. Sommige rijk versierd, met zelfs nog volledig leesbare inscripties in het Portugees of Spaans, Hebreeuws, Aramees en Nederlands. Soms met afbeeldingen van een levensboom, een wijntak, twee handen of een gegraveerde afbeelding van een besnijdenis.

Ponte probeert de Portugese inscripties te ontcijferen. „Deze grafzerken werden ook vaak in Amsterdam besteld en gemaakt. Ik vond laatst een notitie in een 18de-eeuwse akte waar in de Joodse gemeenschap gemopperd wordt over de Joodse meisjes van Jodensavanne. Die zouden te veel in het Sranan Tongo spreken en steeds minder Portugees of Nederlands, doordat ze opgroeiden omringd door slaafgemaakten. Er werd over geklaagd”, lacht Ponte.

Jodensavanne was, ondanks het gemaakte onderscheid, vooral een zeer gemengde samenleving waarbij slaafgemaakten een deel van de Joodse gemeenschap vormden, en de lijnen soms minder zwart-wit waren dan gedacht.

De sluis bij plantage Alkmaar, van oorsprong een koffieplantage, later een suikerplantage. Foto Idi Lemmers

Het pad wordt heuvelachtiger naarmate de Surinamerivier in zicht komt. De ruïnes van synagoge Beracha Ve Shalom (Zegen en Vrede), gebouwd eind 17de eeuw, zijn nu goed zichtbaar. De muren deels ingestort, sommige pilaren nog overeind. De stichting Jodensavanne hoopt dat dit jaar de nederzetting op de Unesco Werelderfgoedlijst komt te staan.

Tegenover de synagoge staan archeologen Jovan Samson en Sushmeeta Ganesh gebukt over de fundamenten van het oude huis van de Meza, ooit een vooraanstaande inwoner van Jodensavanne. „We hebben veel meer gevonden dan gedacht: scherven, delen van schalen, restanten van meer huizen”, zegt Samson enthousiast tegen Ponte. „Hebben jullie ook pijpjes gevonden?’’, vraagt de historicus en stapt de archeologische zone in. „Heel veel”, zegt Sushmeeta Ganesh terwijl ze wat zand van een scherf schraapt.

Er was geen plek in Zuid-Amerika waar Joden meer vrijheid en privileges hadden. Maar gelijkwaardig was het absoluut niet

Volgens de twee geven de opgravingen een breder beeld. „Er werd ook handel gedreven met het nabijgelegen inheemse dorp Redi Doti. Je moest wel contact onderhouden met je omgeving. Hierdoor vond ook culturele uitwisseling plaats.”

Ponte deed onlangs een vondst waaruit blijkt dat de Nassy’s op goede voet stonden met de inheemsen. „Het zijn twee aktes, getekend in 1674 door de inheemse leider Uquerika uit Redi Doti. Hij was meegekomen naar Nederland met een kleinzoon van Nassy, is daar rondgeleid en was heel enthousiast. Door zulke archieven te bestuderen krijg je een divers beeld van de geschiedenis en de mensen die er deel van uitmaakten”, zegt Ponte die met moeite de SUV uit de modder trekt voordat een echte sibi busi, een tropische regenbui, losbarst.