Opinie

Wanneer sprak u voor het laatst over racisme?

Madeleijn van den Nieuwenhuizen

In de vijfde aflevering van de NRC-podcast Pim - Twintig jaar na de moord reflecteert Guus Valk, chef politiek van deze krant, op wie er verantwoordelijk was voor de dood van Pim Fortuyn. Een moeilijke, maar belangrijke vraag. „Was er een klimaat geschapen, ook door de pers, waarin de moord op Fortuyn onvermijdelijk was?”

Ter sprake komt onder andere de berichtgeving ná zijn dood. De Volkskrant, Telegraaf, het Algemeen Dagblad, allemaal publiceerden ze een grote, bloederige foto van het lichaam van Fortuyn. NRC koos voor een uitgezoomde foto vanaf hoog boven het Mediapark. „Een van de redenen was, dat ze de gruweldaad niet in de krant wilden herhalen.”

Ik moet denken aan een bespiegeling van Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Klok. Vorig jaar, na de moord op Peter R. de Vries, kozen vrijwel alle media ervoor ditmaal geen foto van het geliquideerde lichaam te publiceren. Klok schreef dat sinds Fortuyn de opvattingen waren veranderd: „Inmiddels kunnen we ervan uitgaan dat iedereen die dat beeld wil zien, dat online allang heeft bekeken. De noodzaak om het beeld te publiceren is kleiner geworden.”

Op mijn Instagram-account plaatste ik toen een reeks screenshots van vijf Volkskrant-artikelen, uitgespreid over acht maanden. Allemaal toonden die, van dichtbij, het stikkende hoofd van George Floyd onder de knie van agent Derek Chauvin. Die video had iedereen toch ook al lang online gezien?

Unheimisch gevoel

Door de Pim-podcast raakte ik benieuwd of NRC die still uit de video eigenlijk ooit had gepubliceerd. Indertijd had ik nog geen abonnement. Ik moest flink scrollen door het archief, maar toen was het raak. Waarom Fortuyn en De Vries niet, maar Floyd wel vol in beeld?

Tijdens het scrollen bekroop me een ander unheimisch gevoel. Om er zeker van te zijn geen dubbele artikelen en andere foute positieven mee te tellen, liet ik een NRC-collega een zoekopdracht uitvoeren in het interne archief van de krant. Ditmaal op alle woorden die beginnen met ‘racis’ (zodat ‘racisme’ en afgeleiden werden geteld). Het aantal publicaties met deze trefwoorden is tussen 2000-2019 vrij stabiel, zo’n 500 artikelen per jaar. Dan in 2020, het jaar van de moord op Floyd, een piek: 983 artikelen. In 2021 de naweeën: 710 artikelen. Dit jaar tot nu toe: 240 artikelen, wat, als zich dat evenredig doorzet, aan het einde van het jaar 615 artikelen zijn. Terug in de buurt van het pre-Floyd gemiddelde.

Een kleine greep uit de krantenkoppen van 2020: ‘Niet praten over racisme doet Den Haag niet meer’; ‘Alleen door de waarheid te vertellen kunnen we racisme verslaan’; ‘De meerderheid van Nederland zat lang in de ontkenningsfase, ik ook’; en ‘Witte mensen: een vitale bijrol’.

De revolutie-vibe voelt bijna cringe, nu racisme een tijdelijk trending topic bleek. En tja, die vitale bijrol van de witte mens. Wat is eigenlijk de laatste keer dat ík met mijn vrienden lange gesprekken over racisme voerde, zoals ik in 2020 deed? Dat ik meer dan een paar minuten sprak over huidskleurprivilege? Waarschijnlijk toen ik me verkneukelde over de zogenaamde uitglijer van Joris Luyendijk bij Buitenhof. Maar die schreef tenminste over privilege.

Ik denk aan de Dam in Amsterdam. Daar stond vanaf juni 2020 een estafette-demonstrant met een bordje op een paal: „Zolang er systemisch racisme is, staat hier iemand.” Je kon je online intekenen op de website. Sinds een aantal maanden staat er niemand meer, op een verdwaald uurtje na. Structurele zaken blijken met moeite een structurele prioriteit.

Madeleijn van den Nieuwenhuizen schrijft om de week op deze plaats een column.