Huizenprijzen in april 19,7 procent hoger dan jaar eerder

Woningmarkt Woningen zijn nu ruim vierenhalf keer duurder dan in 1995, blijkt uit cijfers van het CBS. Ten opzichte van vorig jaar zijn er in de afgelopen vier maanden bijna een derde minder huizen verkocht.
Het kabinet heeft als voornemen 100.000 woningen per jaar te bouwen.
Het kabinet heeft als voornemen 100.000 woningen per jaar te bouwen. Foto Lex van Lieshout/ANP

Bestaande koopwoningen waren in april 19,7 procent duurder dan een jaar eerder. Dat blijkt uit maandag gepubliceerde cijfers van het CBS en het Kadaster. Vergeleken met juni 2013, toen de huizenprijzen een dieptepunt bereikten, waren de prijzen afgelopen april bijna dubbel zo hoog.

In maart waren de huizenprijzen nog 19,5 procent duurder dan een jaar ervoor. Afgelopen januari vond de grootste prijsstijging plaats sinds het begin van de CBS-metingen van huizenprijzen in 1995. Toen waren koopwoningen 21,2 procent duurder dan een jaar eerder.

Volgens het Kadaster zijn er in de eerste vier maanden van 2022 ruim 59.000 woningen verkocht. Dat is bijna een derde minder dan in dezelfde periode van vorig jaar. Vorig kwartaal werd het laagste aantal woningtransacties gedaan in zes jaar tijd. Vooral in relatief dure steden — Amsterdam, Rotterdam en Utrecht — daalde het aantal verkochte huizen sterk.

Overspannen woningmarkt

Om de druk van de overspannen woningmarkt te halen, wil het kabinet de komende negen jaar 100.000 woningen per jaar bouwen. Volgens een prognose van onderzoeksbureau ABF Research zijn er van 2021 tot en met 2030 936.000 woningen nodig. Daarvan zijn er vorig jaar zo’n 77.000 gebouwd.

Waar de gemiddelde verkoopprijs van woningen in 1995 nog ruim 93.000 euro was, was die volgens de meest recente cijfers van het CBS in maart ruim 426.000 euro: ruim vierenhalf keer zo hoog. In veel gevallen wordt meer geboden dan de vraagprijs en zijn woningen relatief snel weer verkocht.