Opinie

Waarom meer geld niet altijd beter is

Marike Stellinga

Boeie. Dat zeggen mijn kinderen als ik met een serieus verhaal kom. Boeie... (Tot mijn gruwel schrijven ze het zo.) Het woord zong woensdag in mijn hoofd, op Verantwoordingsdag. Dan publiceert de Rekenkamer zijn onderzoek naar de boekhouding én het beleid van de overheid. Wordt het geld netjes uitgegeven, en zinnig besteed?

Deze dag zou dé tegenhanger moeten zijn van Prinsjesdag, wanneer we mooie politieke beloftes horen . Wat ervan terecht kwam, lezen we op Verantwoordingsdag. Superinteressant dus, maar Verantwoordingsdag lijkt een beetje op je pensioen. Brave zielen zullen onmiddellijk zeggen dat het belangrijk is, maar alleen echte nerds zullen zich er echt in verdiepen.

De Rekenkamer was woensdag streng. Al drie jaar op rij is de boekhouding van de overheid niet voldoende op orde. Dat falen krijgt terecht veel aandacht. Maar een ander punt dat de Rekenkamer maakt, verdient evenveel aandacht: wordt het geld zinnig uitgegeven? Daarvoor blijkt het soms ingewikkeld om Kamer en kabinet te interesseren. En dat is doodzonde.

Neem de 8,5 miljard euro die het vorige kabinet uittrok voor het onderwijs. Dat geld moest leerachterstanden verhelpen, ontstaan tijdens de coronacrisis. Het was de „grootste eenmalige investering in onderwijs ooit,” aldus de Rekenkamer. De beloftes waren ook groot: het moest „iedereen die door de pandemie in de knel kwam vooruit helpen”.

En? Gelukt? De Rekenkamer kwam deze week met het oordeel waarvoor ze vorig jaar al waarschuwde: dat kunnen we niet achterhalen. Want de ministers hadden geen duidelijke doelen geformuleerd en ook geen indicatoren om de voortgang te meten. Scholen werd niet gevraagd op een eenvoudige en uniforme manier te rapporteren over wat ze met het geld deden. „Waarom is er geen interesse voor wat er in de werkelijkheid gebeurt?” vroeg de president van de Rekenkamer woensdag aan de Tweede Kamer.

Nou kan je zeggen: ongeclausuleerd geld aan scholen geven is een zegen. Zónder gekmakende eisen over de administratie. Maar dat miskent zowel een principe als een werkelijkheid. Het principe: de dure plicht te achterhalen of mensen ook geholpen zijn. Met geld strooien kan iedereen, maar van een regering verwachten we meer. Belastinggeld is immers altijd schaars. Of zou dat moeten zijn.

De werkelijkheid: een bak geld kan het doel óók verder weg brengen. Zo klaagden bestuurders in NRC dat scholen in achterstandswijken door de coronamiljarden méér moeite hadden om leraren aan te trekken. Ze verloren de concurrentieslag met scholen vol ‘makkelijke’ leerlingen. Het geld kàn de kansenongelijkheid dus hebben vergroot. Ik hou slagen om de arm, want er kwam later een toelage voor leraren op risicoscholen. En kwetsbare leerlingen lopen hun achterstand in.

Het punt is: het is nu één grote brij. We wèten niet wat de miljarden bewerkstelligden. Dus valt er ook niks te leren. Dat is extra wrang, omdat er veel te verbeteren valt in het onderwijs. Kinderen worden steeds slechter in taal en rekenen. De ongelijkheid is gegroeid. Waarom zou je met zulke problemen níet willen weten wat helpt tegen leerachterstanden?

De nieuwe minister belooft nu beterschap. De Rekenkamer noemt zijn reactie een doorbraak. Ik heb vaker gezegd: geld lijkt er nu in overvloed, maar dat zal niet altijd zo blijven. Al die miljarden moeten nu zorgvuldig worden besteed, zodat we, als het geld weer schaars wordt, weten waaraan we het moeten blijven uitgeven.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.