Rutte die sms’jes verwijdert en een senator die anoniem partijen aanvalt

Deze week: het verband tussen de premier die sms’jes verwijdert en een senator die met een anoniem account concurrerende partijen aanvalt. Ofwel: als nieuwe openheid ook tot meer geheimhouding leidt.

En zo bleek deze week dat Haagse verlangens naar meer transparantie ook nieuwe beslotenheid oproepen. Goede bedoelingen die het goede doel niet vanzelf dichterbij brengen.

Premier Mark Rutte moest in de Kamer het nieuws van de Volkskrant uitleggen dat hij jarenlang elke dag zijn sms-inbox leegde nadat hij relevante berichten aan zijn ambtenaren doorstuurde.

Juridisch was dit verdedigbaar. De Raad van State bepaalde in 2019 dat het sms- en app-verkeer van bestuurders principieel openbaar is, terwijl de Archiefwet bestuurders ruimte biedt zelf te bepalen welke berichten ze bewaren.

Maar dat juist deze premier, na jaren waarin talrijke bewindslieden wankelden wegens achtergehouden informatie, in zijn eentje besliste wat vernietigd werd, vond ook zijn eigen partij achteraf kwetsbaar.

In het ideaalbeeld van een open en transparante overheid past dit nu eenmaal niet meer. Ook omdat Rutte op dit punt een dubbelzinnige reputatie heeft: de ene keer zéér open, de andere keer volslagen gesloten. Na de Toeslagenaffaire wilde hij alle – staatsgeheime – notulen van de ministerraad over dit schandaal openbaren: zozeer hechtte hij aan openheid. Maar tijdens corona vergaderde hij bijna wekelijks op het Catshuis waarbij niet eens notulen werden gemaakt.

Het verklaarde mede de argwaan in de Kamer – en zijn reactie, een aanval op het wantrouwen van het parlement, had hij beter voor een ander moment kunnen bewaren.

Toch draait het vraagstuk van openheid en transparantie niet om hem alleen. De groei van de elektronische communicatie in Den Haag is enorm: de Inspectie voor Overheidsinformatie en Erfgoed schat bijvoorbeeld dat jaarlijks 1 miljard mails omgaan bij het Rijk. Dus overal, in partijen en op ministeries, willen mensen openheid ondergeschikt maken aan controle over de feiten.

Al was het maar omdat zij één aspect van hun werk nog net belangrijker vinden dan openheid: succes.

Laatst schreef ik hier over een fractiemedewerker van de BoerBurgerBeweging (BBB) die met een anoniem Twitteraccount journalisten aanvalt, zelfs nadat ze zijn bedreigd. Al in 2017 onthulde NRC dat ook Denk toen anonieme accounts had.

Want ook op sociale media zie je Haagse dubbelzinnigheid: dezelfde politici die openheid van de overheid eisen, trekken er vaak anoniem ten strijde tegen hun concurrenten.

Het geldt zelfs voor een van de langst zittende Eerste Kamerleden, Niko Koffeman (64), senator van de Partij voor de Dieren sinds 2007. Een man die in zijn partij veel invloed wordt toegedicht.

Koffeman is maatschappelijk zeer geslaagd: hij lanceerde het idee van de PvdD, bedacht de campagnes in de succesjaren van de SP, deed hetzelfde voor dierenrechtenorganisaties, leidt de Faunabescherming, richtte mede de Vegetarische Slager op (voor miljoenen verkocht aan Unilever), en stond vorige maand in NRC met zijn nieuwe bedrijf, Those Vegan Cowboys, dat werkt aan plantaardige kaas.

Mensen met ervaring in de PvdD vertellen hoe de partij initieerde dat januari 2011 tientallen ‘volg’-accounts op Twitter werden geopend: @volgzwaan, @VolgSchaap, @VolgHond, etc. Het oogmerk was onschuldig - „meer dierennieuws” – en het succes beperkt: veel accounts zijn amper nog actief.

Maar één account, @VolgZwijn, komt nog steeds op voor dieren en de PvdD - en valt concurrerende partijen aan.

2014, bij een foto van een Canadese gans: „Er zijn politici van CDA & PvdA die denken aan vergassen als ze dit zien.” 2018: „Ex-penningmeester GroenLinks kiest voor jagersgroen.” 2019: „Wat Stientje van Veldhoven (toen D66-staatssecretaris, red.) betreft is achtmaal zoveel gif in de grond nu toelaatbaar #PFAS.” 2017: „Er is een politica die al elf jaar aandacht vraagt voor klimaatprobleem: Marianne Thieme.” 2021: „De jagers hadden jarenlang (-) een lid van D66 als lobbyist in Den Haag en dachten hun lobby onaantastbaar te hebben gemaakt.” 2021: „Zelfs D66 gaat verder in haar eisen de veestapel te halveren dan GroenLinks.”

Uit screenshots van app- en mail-verkeer tussen bekende PvdD’ers – inhoud en namen laat ik uit bronbescherming achterwege – bleek me dat zij de tweets van @VolgZwijn beschouwen als tweets van Koffeman. Ook wachtten ze vaak met retweets totdat „Niko” het voortouw nam.

Nu is kritiek op andere partijen uiteraard legitiem, alleen: waarom moet dit anoniem? Dinsdag vroeg ik Niko Koffeman om een gesprek. Maar de man die bijvoorbeeld in 2019 nog openbare registratie van alle lobbyisten in de senaat bepleitte, had op dit punt geen behoefte aan openheid over zichzelf: „Ik heb hierover niets te zeggen.”

Toch is zijn gedrag in puur politiek opzicht niet dom: het is een feit dat zelfpromotie van partijen minder invloed heeft op aarzelende kiezers dan steun van een ogenschijnlijke buitenstaander. Helemaal als partijen standpunten van concurrenten willen ontkrachten. Kennis is dan macht – en openheid een last.

Zo werkt het politieke brein. Praat met topambtenaren en het gaat vaak over bewindslieden met een hekel aan concurrerende informatie. Ambtenaren maken lange rondes langs ‘maatschappelijke partners’ om tot beleidsopties te komen. Dit kost al tijd en geduld. Dan kiest de minister één optie – en die moet er meestal niet aan dénken als de discussie daarna opnieuw begint.

Dus op ministeries weten ze dat dit momenten zijn waarop bewindslieden feiten willen onderdrukken. „Openheid is mooi, maar opschieten beter”, hoorde ik een topambtenaar ooit zeggen.

En wie los van deze incidenten – sms-verwijderingen, anonieme accounts, zoekgemaakte beleidsopties – wil weten hoe het politiek-bestuurlijk complex werkelijk denkt over openheid en transparantie bij de overheid, moet eens een uurtje rondkijken op de website van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed.

Die maakt zich al sinds het rapport Een dementerende overheid? (2005) zorgen over het gebrek aan „duurzame digitale toegankelijkheid van overheidsinformatie”, en constateerde in haar laatste jaarverslag, in 2021, dat ook zestien jaar na dato nog „vaak onduidelijk is welke (digitale) informatie bewaard wordt, en welke vernietigd”.

Anders gezegd: terwijl vrijwel elke partij nu het ideaalbeeld van een open en transparante overheid overneemt, is al jaren duidelijk dat dit ideaal bij de enorme toename van digitale data totaal onhaalbaar is.

Dus het was goed dat de Inspectie deze week in het – zeer terechte – spoeddebat over Ruttes sms’jes vaak werd aangehaald, maar feit is ook dat het jaarverslag vorig jaar niet tot zo’n zelfde spoeddebat leidde.

Ergo: de politieke verontwaardiging over gebrekkige openheid bij de overheid, is vooral politiek gemotiveerd en draait minder om de gebrekkige openheid zelf.

En zo heeft de politiek zichzelf gevangen gezet in een ideaalbeeld van openheid dat ze vaak zelf ondergraaft. Het leidt tot openheid als pose, openheid zonder geheugen, openheid zonder archief: openheid die goed oogt maar helaas vaak fictie is. Want wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat alle betrokken instanties, bestuurders en politici van kwade wil zijn. De aspiratie tot meer openheid is serieus, en wel degelijk zien genoeg politici en ambtenaren in dat het ook in eigen kring anders moet.

Zo legde ik deze week, nadat PvdD-senator Niko Koffeman mijn verzoek weigerde, partijleider Esther Ouwehand voor of zij op de hoogte is van Koffemans betrokkenheid bij dat anonieme account.

Dit beaamde ze, en ze voegde eraan toe: „Ik vind het onwenselijk als volksvertegenwoordigers anoniem twitteren.”