Ik kijk niet, ik ben mijn blik

Kijken en zien verlangt naar opgaan in het landschap. Nodig: een manier van zien die je overkomt „als een volslagen verrassing”.

Illustratie
Illustratie Myrthe van Heerwaarden

De pijl op het houten bord met de aanduiding Zilvense Heide wijst rechtdoor, in dezelfde richting als de camping. Vastberaden wandel ik het kampeerterrein over. Schuin achter mij loopt mijn vriend. Hij houdt onze dochter in de gaten die ontspannen in een draagzak op mijn rug hangt. Al weken verlang ik ernaar om eruit te zijn. Niet alleen om iets anders te zien, in een andere omgeving te zijn, maar ook om op een andere manier te zien, me anders te verhouden tot de omgeving. Op te gaan in het landschap, al weet ik niet hoe. Vandaar deze vlucht naar de natuur, of prozaïscher gesteld: vandaar het besluit een midweek te boeken op dit bungalowpark in het bos.

In de essaybundel Pelgrim langs Tinker Creek uit 1971 beschrijft de Amerikaanse schrijver Annie Dillard vol overgave wat ze ziet tijdens haar dagelijkse wandelingen door de ongerepte wildernis in de Amerikaanse staat Virginia. In het essay ‘Zien’ onderscheidt ze twee vormen van zien. De ene is een actieve, beschrijvende vorm, waarbij ze probeert om geconcentreerd te kijken door te benoemen wat ze ziet. Dit doet ze door als het ware een beschrijving van het heden op gang te houden, terwijl ze bijvoorbeeld een stuk boomstam van zijn plek tilt of de oever in vierkantjes van een halve meter aftast. In die zin is zien, volgens Dillard, „in hoge mate een kwestie van verwoorden”.

Naast deze actieve manier van zien plaatst ze een tweede vorm van zien, die ons moet overkomen als „een geschenk, een volslagen verrassing”. Dillards beschrijvingen van deze ervaring zijn jubelend en extatisch: „Als ik op deze manier zie, wankel ik op mijn benen, met stomheid geslagen, ledig.”

Lees ook: De paddentrek laat zien dat de liefde gewoon op straat zit

„Als ik zo zie, zie ik echt”, zegt ze over de tweede vorm van zien. Toch geeft het passieve karakter van deze vorm van zien weinig houvast in mijn zoektocht om me anders tot mijn omgeving te verhouden. Ik kan, terwijl we het wandelpad volgen, wel proberen om actief mijn aandacht te vestigen op wat zich voor mijn ogen afspeelt. Het pad leidt ons naar de rand van het park, naar de plek waar de afrastering wordt onderbroken door een wildrooster. Op onze wandelschoenen stappen we hier zonder moeite overheen. We zijn van het park af, maar om bij de hei te komen moeten we eerst een breed bospad aflopen dat op verschillende punten wordt gekruist door zijwegen. Het gewicht van mijn dochter drukt de banden van de draagzak in mijn schouders. Precies op mijn toch al gespannen spieren. Ik probeer het ongemak te negeren en houd mijn ogen op de grond gericht. Hier valt op het eerste gezicht niet veel te zien. Ik besef dat in Nederland alle natuur is aangelegd en beheerd, maar dit brede pad is zo kaarsrecht en zodanig platgetreden dat het niet eens natuurlijk oogt. We hadden hier prima met de kinderwagen kunnen wandelen.

Met ingehouden pas

Ik wil gehaast doorlopen, maar Annie Dillard indachtig houd ik mijn pas in en probeer geconcentreerd te beschrijven wat ik zie. Aan weerszijden van het kaarsrechte pad is een greppeltje gegraven. Daarom is het pad zo hard en droog. De overgang kan niet dramatischer: de begroeide grond is uitnodigend zacht, als een donzen dekbed. Tussen het aaibare mos waarop een laagje rijp ligt, en de lage struiken die hun fijne ronde blad hebben behouden, vormen graspollen her en der comfortabele heuveltjes. Het zijn net rondgegooide kussens. De zachte groene deken lijkt te zijn doorboord door sprietige kale takjes en dunne stammetjes, die als tentharingen moeten voorkomen dat de lichte deken opwaait in de wind. De deken kan zich eindeloos uitspreiden. Nergens hoeft die zich om een dikke stam heen te krullen. Alle bomen, zelfs de imposant hoge naaldbomen, hebben dunne stammen die netjes afstand houden van elkaar. Verderop ligt berkenblad uitgewaaierd op de grond rondom een rij van witte gebladderde stammen. Sommige bladeren lijken te zweven boven het groen van de struiken, alsof ze zijn onttrokken aan tijd en zwaartekracht, terwijl het blad dat de grond heeft geraakt al is samengesmolten tot drassige aarde. Wat nou tot stof wederkeren. Het einde is, net als het begin, kledderig en nat.

De hei hebben we niet gezien. Bungelende beentjes spanden zich plotseling aan, waarna we besloten om terug te lopen naar onze bungalow. Het verblijf is hufterproof ingericht met meubels van onverwoestbaar kunststof dat zich heeft vermomd als hout en leer. Midden in de woonkamer staat een enorme hoekbank. De bank biedt niet alleen uitzicht op de open haard, maar ook op de enorme tv die er pal naast staat. Nog voor het middaguur heeft mijn vriend de haard aangemaakt. Hij staart in het vuur. Onze dochter draalt om hem heen. Ze heeft de afstandsbediening gevonden. Als ze de tv per ongeluk aanzet, is ze direct gehypnotiseerd door het beeld. Ik kijk naar de twee afwezigen. Beiden zijn opgezogen in hun eigen universum van blauw en rood licht.

Illustratie Myrthe van Heerwaarden

De onverschillige houding van de natuur

‘Tenzij ik mijn aandacht vestig op wat zich voor mijn ogen afspeelt, zie ik het simpelweg niet”, stelt Dillard. Door voor mezelf te benoemen wat ik zie, dwing ik mezelf om geconcentreerd te kijken, om stil te staan bij wat er is. Inderdaad viel er aan weerszijden van een platgetreden bospad ineens van alles te zien waar ik anders gemakkelijk aan voorbij zou lopen. Dat dit gemakkelijk over het hoofd te zien is, lijkt te komen door de onverschillige houding van de natuur. Een vogel dringt zich, in tegenstelling tot een reclamezuil, niet aan mij op, uitlopende knoppen proberen niet als oplichtende schermen mijn aandacht te stelen, een haas steekt niet zijn kop uit boven het veld om mij te vermaken. Hoewel sommige natuurverschijnselen zo groots en meeslepend zijn dat ik ze zonder enige moeite waarneem en erdoor overdonderd ben, zijn de talrijke bescheidener uitingen van de grootsheid van de natuur pas te zien wanneer ik er actief mijn aandacht op richt.

Deze actieve, beschrijvende vorm van zien stelt mij weliswaar in staat om met aandacht te kijken, maar werpt ook een moeilijkheid op. Ik kan de dingen immers alleen gedetailleerd benoemen, als ik weet wat ik zie. NRC-journalist en dichter Marjoleine de Vos stelt in haar essay ‘Je keek te ver’ uit 2020, waarin ze het verlangen om te wandelen onderzoekt, dat wie van niets weet nooit een tureluur, scholekster, kievit of een winterkoninkje ziet. Dit klopt in zekere zin. Hoe aandachtig ik ook kijk, zonder gedegen kennis van vogels ben ik niet in staat de vogel bij zijn soort aan te duiden. Toch zie ik hem wel. Kennis is weliswaar noodzakelijk om dingen te herkennen, te onderscheiden of te benoemen, maar niet om de dingen zelf te zien.

In haar essay citeert ze de Portugese dichter Fernando Pessoa. Onder zijn pseudoniem Caeiro stelt deze dichter dat zien geen denken behoeft:

Het is vreemder dan alles wat vreemd is, Vreemder dan de dromen van alle dichters En de gedachten van alle filosofen, Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn En dat er niets te begrijpen valt. Ja, dat hebben mijn zintuigen helemaal alleen geleerd: De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan. De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen.

In dit citaat laat Caeiro zien dat het erom gaat de dingen zelf te zien. Daarvoor hoeven we niet te denken of te begrijpen. Volgens Marjoleine de Vos laat Caeiro ons zien dat er niets te begrijpen valt. Er schuilt niets achter de dingen dat ontrafeld moet worden. Het vreemde, het wonderlijke, is dat de dingen zelf er zijn.

Ik kijk naar de afwezigen, opgezogen in hun universum van blauw en rood licht

Vanuit de tuin klinkt geklop. De tv is inmiddels uit en onze dochter speelt met de blokkenstoof. Niet zoals het hoort, maar ik houd mijn mond. De stilte lijkt haar goed te doen. Ze hoeft geen aandacht te vragen. Er wacht geen beloning. Het geluid komt van een bonte specht die is neergestreken op een vetbol die aan de houten verandapaal is opgehangen. Ik wil een foto maken, maar de reflectie van het raam weerspiegelt precies op het rode kopje. Voordat ik een tweede poging kan wagen is de specht weg. „Helaas”, zo beklaagt Dillard zich, „is de natuur in hoge mate een kwestie van kiekeboe spelen. Een vis flitst, om voor mijn ogen als zout in het water op te lossen. Herten worden, lijkt het wel, met huid en haar ten hemel opgenomen; de bontste wielewaal valt weg tegen het lover.” Zulke plotse verdwijningen, stelt Dillard, dwingen tot concentreren. De specht laat zich niet meer zien, maar er verschijnen wel volop roodborstjes, mussen, pimpelmezen en koolmezen. In de tuin van de buren schieten twee eekhoorntjes een boom in. Ik verwonder me over hun behendigheid. Mijn dochter is bij het raam gaan staan. Ze wijst enthousiast naar een konijn. Het dier, dat in tegenstelling tot de hangoren aan het begin van het park niet dient ter vermaak van peuters en kleuters, huppelt schichtig voorbij.

Lees ook: Mens temper je impuls, dat egeltje hoeft niet ‘gered’ te worden

De dingen zelf

Het wonderlijke is de aanwezigheid van de dingen zelf. Dat dit alles er is. Het is er niet voor mij, maar het is er. In die zin speelt de natuur geen kiekeboe. Wanneer mijn dochter en ik kiekeboe spelen, zijn we immers nadrukkelijk op elkaar gericht. De onverschillige houding van de natuur maakt dat ik bij vlagen word overvallen door een gevoel van nietigheid. Toch mag ik zien wat er is. Een actieve, beschrijvende vorm van zien helpt me om op te merken wat zich voor mijn ogen afspeelt. Wanneer ik, in deze tuin of op een kaarsrecht pad door een aangelegd bos, maar wellicht ook in een polderlandschap, een stadspark, of wie weet, wandelend langs een berm, met aandacht kijk en zie wat er is, dan voel ik soms dat ik er vanzelfsprekend deel van uitmaak. Ik val stil. Ik kijk niet langer actief, maar ik ben mijn blik. Deze tweede vorm van zien overkomt me. Op deze momenten ga ik, al is het maar voor even, op in het landschap.