Avontuurlijke elitetrips voor 17de-eeuwse jongemannen

Letterkunde Rijke Hollanders trokken in de 17de eeuw door Europa om zich te ontwikkelen. Wat schreven zij over zo’n Grand Tour?

Ook in latere eeuwen gingen rijke jongvolwassenen op reis door Europa, zoals dit Engelse gezelschap in Italië, op een 19de-eeuws schilderij van Carl Spitzweg.
Ook in latere eeuwen gingen rijke jongvolwassenen op reis door Europa, zoals dit Engelse gezelschap in Italië, op een 19de-eeuws schilderij van Carl Spitzweg. Foto Jörg P. Anders/Staatliche Museen zu Berlin, Nationalgalerie

Als je op reis bent, kun je je soms een kosmopoliet voelen, soms een Nederlander, en soms een Europeaan. Dat was in de zeventiende eeuw ook al zo, toen welgestelde Hollandse jongemannen voor hun persoonlijke ontwikkeling een Grand Tour maakten, een maanden- of zelfs jarenlange reis door landen als Frankrijk en Italië.

In Frankrijk verbaasden ze zich over de armoede op het platteland, en over hoe vies het daar was. Holland zou veel schoner zijn. En dan voelde zo’n jongen zich opeens heel Hollands.

Maar als hij vervolgens een tijdlang in een stadje aan de Loire verbleef, om zich daar te oefenen in het paardrijden, schermen en dansen, en zich onder te dompelen in een internationale elite van jonge welgestelde Europeanen, dan voelde hij zich een ware kosmopoliet.

Alan Moss, historisch letterkundige, bestudeerde voor zijn promotie-onderzoek de reisverslagen van deze jonge zeventiende-eeuwse reizigers. Hij keek vooral ook naar wat het reizen deed met de „identiteit” van die jongens: hun gevoel over wie of wat ze waren.

Calvinist blijven

„Aan de ene kant moesten ze wereldburger zijn en bijvoorbeeld vredelievend omgaan met het andere geloof dat ze in Frankrijk en Italië overal om zich heen zagen: het katholicisme. Aan de andere kant mochten ze daar ook niet in doorslaan. Ze moesten wel calvinist blijven.”

Omdat de term ‘Grand Tour’ in de zeventiende eeuw zelf weinig gebruikt werd, spreekt Moss liever van „educatiereizen”. Het was een Europese traditie. Jongemannen uit de noordelijke landen (Engeland, Duitsland, Scandinavië en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) gingen naar het Zuiden. Frankrijk en Italië waren de belangrijkste bestemmingen.

De reis hoorde bij hun opvoeding. „Je kon je in het buitenland bepaalde adellijke vaardigheden eigen maken. Toch moest je ook wat dat betreft een beetje Hollander blijven. Als je terugkwam en te veel maniertjes had opgepikt, werd je daar op afgerekend door de maatschappij. Dan zeiden ze: die is helemaal verfranst, een fatje, verwijfd, die willen we niet.” Ook was de reis een goede voorbereiding op hun toekomstige beroep: koopman, diplomaat, topambtenaar, regent. „En natuurlijk leverde het ook prestige op”, zegt Moss. „Zo’n reis stond mooi op je cv. Het droeg bij aan je status en aan de reputatie van je familie.”

Moss las voor zijn onderzoek 107 handgeschreven reisverslagen uit de periode van 1648 tot 1713, op papier gezet door 52 jongens, die 16 tot 30 jaar oud waren. De reisverslagen zijn meestal in het Nederlands, soms in het Frans, heel soms in het Latijn. Adrianus van Overschie schreef telkens in de taal van het land waar hij was: Frans, Spaans, Italiaans.

„Die journaals zijn verraderlijke teksten hoor”, zegt Moss. „Het lijken ooggetuigeverslagen. Maar ze hebben het meestal niet voor zichzelf geschreven, maar voor hun ouders en soms ook voor vrienden. Ze willen zich in die tekst op een bepaalde manier presenteren.”

Volgens Moss had dat reizen dus allerlei gevolgen voor de identiteit van de reizigers. ‘Identiteit’ is een woord dat tegenwoordig veel gebruikt wordt, maar in de zeventiende eeuw kenden ze die term niet. Wat wordt ermee bedoeld? Moss: „Identiteit gaat over de vraag: tot welke sociale groep behoor je of wil je behoren?” Bij deze jongemannen ligt dat vrij duidelijk: elite, Hollands, calvinist, man.

Als ze bijvoorbeeld door de Alpen reizen kunnen ze zich gedragen als een macho. En op de dansvloer zijn ze opeens een verfijnde elite-man

„Tijdens hun reis nemen ze vaak meerdere, elkaar afwisselende identiteiten aan. Die kunnen complementair zijn – aanvullend – maar ook tegenstrijdig. Als ze bijvoorbeeld door de Alpen reizen kunnen ze zich gedragen als een macho. En op de dansvloer zijn ze opeens een verfijnde elite-man. Hun identiteit is fluïde, veranderlijk en niet-eenduidig. Maar zodra ze geconfronteerd worden met „de ander” – de Fransman, de Italiaan, de katholiek – wordt die confrontatie opeens wél ervaren als een binaire tegenstelling, als iets dat heel zwart-wit is.”

Dat zie je bijvoorbeeld als de Hollanders rond de Loire de dorpen bezoeken waar dan nog veel Hugenoten wonen – Franse protestanten, die later in de zeventiende eeuw uit Frankrijk verdreven zouden worden. Die Hugenoten cultiveerden een geloof dat nogal verschilde van het Hollandse calvinisme. Maar in Frankrijk, waar het katholicisme dominant was, vielen die verschillen opeens weg en werden de Hugenoten omarmd als „luyde van de religie” (mensen van dezelfde godsdienst).

De Hollandse jongemannen werden tijdens hun Grand Tour voor het eerst systematisch geconfronteerd met het katholicisme. In de Republiek had je ook katholieken, maar die mochten hun geloof niet openlijk vieren. Daar merkte je dus niet veel van. In Italië manifesteerde het katholicisme zich als een kleurrijk spektakel, waaraan de reiziger zich kon vergapen.

De voeten van de paus

„Zeker in het Heilige Jaar, dat één keer in de 25 jaar plaatsvond, was dat het geval. Dan kwamen er heel veel katholieke pelgrims naar Rome om vergeving van hun zonden te krijgen. Ook voor calvinistische Hollanders was dat een uitgelezen moment om naar Rome af te reizen. De zoon van P.C. Hooft kuste in het Heilige Jaar 1650 zelfs de voeten van de paus.”

Men bezocht de kerken, bewonderde de architectuur en de kunst, maar zodra de calvinistische reiziger geconfronteerd werd met afbeeldingen van heiligen en relikwieën werd daar met ongemak, scepsis, ironie of zelfs sarcasme over geschreven.

De Hollanders meenden verder dat het katholicisme slecht was voor de economische ontwikkeling. Ze zagen pracht en praal, maar ook veel armoede. Zodat – zoals een jongen het verwoordt – men „er byna niet als twee soorten van menschen op de straat ziet, te weeten, paapen en bedelaars, dat beide onnutte gedrochten zyn om een republyk te doen floreren”.

Ondertussen zagen de reizigers veel vooroordelen bevestigd. Moss: „De zeventiende-eeuwse maatschappij was doordesemd van culturele clichés. Een reiziger wist bij voorbaat al wat hij in het buitenland kon verwachten.” Duiters waren heldhaftig en gastvrij, maar ook drankzuchtig. Fransen waren losbandig, jaloers, wraakzuchtig en geneigd tot gokken. En in Italië had je veel homoseksualiteit.

De Grand Tour had ook iets idealistisch: neem al het goede dat je tegenkomt over, en wijs al het slechte af. Een Amsterdamse tekst die zich tot toekomstige reizigers richt, luidt: „By voorbeeld, ik wil dat hy [de jonge reiziger] de Duytsche [Duitsers] imiteere, als haar [hen] yemant komt besoecken, dien een glas wyn te presenteren, maar niet dat hy denselven dwinge meer te drincken als ’t hem lust, en hem onbequaam naar huis toezend.”

De reizigers kregen ook een soort huiswerk mee. Ze moesten de plaatsen die ze bezochten beschrijven aan de hand van een schema: wat is de natuurlijke ligging van de stad, welke economische activiteiten springen eruit, hoe wordt de stad bestuurd, etc. „Het was de bedoeling dat ze zo reflecteerden op de goede en slechte eigenschappen en gebruiken van andere landen. Kunnen we daar nog lering uit trekken?”

Dat idee verdwijnt halverwege de zeventiende eeuw naar de achtergrond. Dan gaat het meer om praktische vaardigheden: vreemde talen leren spreken, jezelf trainen in adellijke vaardigheden als paardrijden, schermen en dansen. Pas eind zeventiende eeuw ontstonden er in Holland zelf plekken waar je dat kon leren.”

Bedwantsen en hobbelige wegen

En natuurlijk maakte de reis ook deel uit van de overgang van jongvolwassene naar volwassene. Moss: „Wat we nu een rite de passage noemen. De jonge reiziger wordt tijdelijk geconfronteerd met een andere omgeving, een andere cultuur, met als gevolg dat hij ook moet nadenken over zijn eigen cultuur en zijn eigen land, zijn eigen identiteit.”

Frankrijk was de belangrijkste bestemming. Dat stond bijna twee keer zo vaak op het programma als Italië. Frankrijk was goedkoper en veiliger, en de rijke Hollandse families hadden vooral veel contacten in Frankrijk. De reis naar Italië was duur, dus daar kwam de echte elite.

De praktische details van reizen in die tijd zijn vaak kleurrijk. Er wordt veel geklaagd over ongemak: slechte herbergen met slecht eten, steenkoude kamers en bedwantsen, slechte paarden, dure koetsen, veel te hobbelige wegen, douaniers die spullen in beslag namen of geld aftroggelden. De route werd voor een deel bepaald door pestepidemieën en oorlogen, waar je dan natuurlijk in een grote boog omheen reisde.

Je kon onderweg beroofd worden. Dus reisde men bij voorkeur in groepen, met zo min mogelijk contant geld op zak. Je had „wissels” bij je: cheques die je onderweg kon verzilveren bij een bevriende bankier of handelaar. Welke zakencontacten je familie waar had, bepaalde ook voor een deel de route.

Mogelijk hoorde het er een beetje bij. Het idee dat je ook seksueel volwassen wordt tijdens zo’n reis

Een reiziger gaf per dag minstens tien keer het dagloon van een vakman uit. Luxe? „Valt wel mee”, zegt Moss. „De Duitse adel gaf tijdens de Grand Tour vaak tien keer zoveel uit, dus honderd keer het dagloon van een vakman. De Hollander deed het wat zuiniger aan.” Een vijfde van het reisbudget werd besteed aan kleding. „Je moest laten zien dat je geld had en je moest precies goed gekleed gaan om heel letterlijk ‘gezien te worden’, om toegang te krijgen tot de plaatselijke elite.”

De reizende jongemannen deden ook aan sekstoerisme, al wordt daar in de reisverslagen maar zijdelings naar verwezen. Ze hadden avontuurtjes met meisjes uit het volk en bezochten prostituees. In een enkel geval wordt daarvan in geheimschrift verslag gedaan. Constantijn Huygens Junior schreef bijvoorbeeld in zijn reisjournaal: „Silcnkukbonsttpnoigeftrvgomgpesliean.” Als je telkens één letter wegstreept en één letter laat staan, lees je: „Ick kost niet vogelen” (ik kreeg hem niet omhoog).

„Mogelijk hoorde het er een beetje bij”, zegt Moss. „Het idee dat je ook seksueel volwassen wordt tijdens zo’n reis. Je werd geacht dat verborgen te houden. Het werd pas een probleem als het tot reputatieschade van de familie leidde, als er een zwangerschap in het spel was.”

De jeugdige Matthijs van der Merwede schreef in Italië een dichtbundel met pornografische gedichten over seks met minderjarige meisjes. Terug in Nederland schreef hij stichtelijke poëzie. Ook dat is een mooi voorbeeld van hoe een welgestelde jongeman uit die tijd meerdere identiteiten kon aannemen.

Het proefschrift, Gemaakt op reis, verschijnt dit najaar als boek bij uitgeverij Verloren.