Opinie

De Z is de eigentijdse variant van het hakenkruis geworden

Michel Krielaars

Zo’n twee weken na het begin van de invasie in Oekraïne verliet de schrijver Maxim Osipov Rusland. Waarschijnlijk keert hij er nooit meer terug. ‘Thuis is daar waar je je hoed ophangt’, schrijft hij deze week enigszins opgelucht in The Atlantic, waarin hij verslag doet van zijn vlucht, die hem van zijn woonplaats Taroesa, via het Armeense Jerevan naar Berlijn voerde.

In zijn relaas verwijst Osipov naar Sebastian Haffners Geschichte eines Deutschen. Die Erinnerungen 1914-1933, een boek dat hem tot leidraad is geworden. Haffners ervaringen in Duitsland na het aan de macht komen van Hitler doen hem sterk denken aan de gedaanteverwisseling van het Poetinregime in de afgelopen maanden. In de Z van Poetins oorlog, die je dezer dagen overal in Rusland op vaandels, gevels, armbanden en auto’s ziet, ziet hij een variant van het hakenkruis.

Ook Haffner ontvluchtte zijn geboorteland. Als jonge jurist wilde hij in de zomer van 1933 niet langer onder het nazi-regime leven. Treffend schrijft hij: ‘Es gab freilich auch nicht viel mehr zu leben. Meine Freunde waren nachgerade alle weg – oder sie waren nicht mehr meine Freunde.’

Precies zo ervaart Osipov het nu veel Russen met de Kremlin-propaganda meejuichen en de ‘menselijkheid’ van het Russische leger benadrukken. ‘Verstikking, schaamte en haat zijn de woorden die deze dagen kenmerken’, schrijft hij.

Net zoals Haffner voelt Osipov zich ‘koud, beschaamd, opgelucht’ zodra hij in veiligheid is. Woorden als ‘moederland’ en ‘vaderland’ zijn ineens besmet. Van het sentimentele ‘We hebben Rusland met ons meegenomen’, dat hij andere vluchtelingen hoort zeggen, wil hij niets weten. ‘We zijn niets anders dan verliezers, zowel in historisch als in geestelijk opzicht’, schrijft hij, waarmee hij behalve zichzelf ook zijn landgenoten kritiseert die Poetins fascisme zagen ontluiken zonder er iets tegen te doen.

In Rusland woedt een stille burgeroorlog tussen voor- en tegenstanders van de oorlog in Oekraïne. Families raken verscheurd. Het land stevent af op een materiële catastrofe. ‘We worden opnieuw in een smerige, benauwde varkensstal gedreven, die nog smeriger is dan die waarin we zijn geboren’, schrijft Osipov, verwijzend naar zijn jeugd in de Sovjet-Unie.

Ook vraagt hij zich af aan welk literair personage Poetin hem doet denken. Alle ingrediënten zijn aanwezig. Een lage KGB-officier, bijgenaamd de Mot, die Europa in de DDR op de Duitse televisie ziet en ervan droomt ooit in een West-Duitse stad als Stuttgart te wonen. Hij is na 1989 een tijdje taxichauffeur en wordt dan ineens hoofd van een enorm land. In die hoedanigheid weet hij twintig jaar lang zijn volk te corrumperen. Maar dan begint hij zich tijdens een pandemie te vervelen en leest hij een vage filosoof, in wiens teksten hij de fictie niet van de werkelijkheid kan scheiden. Zo’n man zou een held uit de verhalen van Andrej Platonov kunnen zijn, ware het niet dat die in tegenstelling tot de verveelde leider briljante, zuivere zielen zijn. Maar ineens weet Osipov het. Poetin lijkt op Smerdjakov, de moordenaar uit Dostojevski’s De broers Karamazov, die Fjodor Karamazov de hersens inslaat.

In september verschijnt de vertaling van Osipovs verhalenbundel Kilometer 101 uit 2019. Ik hoop nu dat het hem lukt om er een extra verhaal aan toe te voegen, over een kleine man die de baas van zijn land wordt en het dan in het verderf stort.